Foto's Frank Ruiter

‘Meereizende mannen redden zich beter’

Lunchinterview Tessa Kollen (47) schreef een whodunnit met als decor het expatmilieu – dat ze als vrouw van een diplomaat door en door kent. „Het succes van ons als geheel vind ik belangrijker dan mijn individuele prestatie.”

Tessa Kollen (47) bestelt een cassis. In Qatar, waar ze woont, is dat niet te krijgen en in Marokko en Kenia, waar ze daarvóór woonde ook niet. Daarna kiest ze de salade van het huis – we zitten in de tuin van café Schlemmer in Den Haag. Mét spekjes. „Dat is ook een dingetje,” zegt ze. Wel te krijgen in Qatar, maar in één supermarktje, ver weg gelegen op een industrieterrein buiten de hoofdstad Doha waar „alcohol en varkensvlees te koop zijn tegen woekerprijzen”. De enkele keer dat ze zo’n salade thuis op tafel zet – voor man en drie kinderen – is het een „special treat”.

Ze is een paar dagen in Nederland voor de presentatie van haar debuut De mentor, dat haar uitgever aanprijst als „Luizenmoeder meets Agatha Christie”. Het is een ‘whodunnit’ die zich afspeelt in het internationale expatmilieu van verveelde vrouwen-van en verwende kinderen. Tessa Kollen beschrijft een benauwde gemeenschap in een luxe buitenwijk van een niet met name genoemde stad, waar de mannen werken als diplomaat, als cfo van een groot concern of als buitenlandcorrespondent van een krant.

De vrouwen vormen hun eigen leefgemeenschap, vol intriges, kleine drama’s en ongeschreven regels. Hun leven speelt zich af in hun beveiligde villa’s, ver van de hitte, het stof en de vochtigheid van de stad, met een legertje personeel tot hun beschikking. Middelpunt van hun bestaan is de Internationale Amerikaanse School waar hun kinderen voor veel geld een topopleiding volgen en waar zij, de vrouwen dus, vrijwilligerswerk doen. In die „microkosmos” wordt de mentor van de school vermoord.

Los van plot en personages is het de setting die het boek pikant maakt. Als iemand de „gouden kooi” die in het boek beschreven wordt van binnenuit kent, dan zij toch wel? Tessa Kollen is wat je noemt een Shell-kind. Haar vader trouwde een vrouw uit Brits-Guyana toen hij daar voor zijn werk verbleef. Haar zusje werd er geboren. „Toen ik geboren moest worden, woonden mijn ouders in Nigeria.” Omdat ze dat geen ideale plek vonden om een kind te krijgen, plaatste het bedrijf hen tijdelijk in een appartement in Groot-Brittannië, en dat verklaart waarom ze in Wimbledon is geboren. Vanaf haar derde woonde ze in Nederland, ze ging naar een Nederlandse middelbare school in Den Haag, studeerde internationale betrekkingen in Utrecht. Maar iets van het expatbestaan bleef in eigen land in stand. Thuis werd Engels gesproken, de vriendenkring van haar ouders was internationaal.

De expatwereld heb ik zwaar aangezet, bijna karikaturaal

Zelf is ze al twintig jaar een vrouw-van. Roeland Kollen is diplomaat, zijn huidige post is die van tweede man (Deputy Head of Mission) op de Nederlandse ambassade in Qatar. Hun drie kinderen van 16,14 en 12 zitten op de Amerikaanse Internationale School, thuis wordt overwegend Engels gesproken en het is dat de oudste, een dochter, dit jaar examen doet, anders waren ze nog deze zomer door Buitenlandse Zaken overgeplaatst naar het volgende land voor de komende vier jaar. De vraag is: is Tessa Kollen net zo verveeld, onvervuld en ontevreden over haar bestaan is als de vier vrouwen uit de vriendinnenclub van haar boek?

Gevoel van doelloosheid

Het antwoord is nee. Ze heeft de expatwereld zwaar aangezet, zegt ze. Write what you know, was een advies dat ze ooit kreeg. De internationale gemeenschap, zegt zij, is een „backdrop”, achtergrond, decor. „Het is bijna karikaturaal.” Dus de mooie Canadese ambassadeursvrouw Sophie, die lijdzaam de plichtplegingen ondergaat die het werk van haar echtgenoot met zich meebrengt? „Ik had voor ik begon te schrijven nog nooit een Canadese ambassadeursvrouw ontmoet. De vrouw ik daarna heb ontmoet is het tegenovergestelde van haar fictieve evenknie en inmiddels een dierbare vriendin.”

En de echtgenote van de Nederlandse cfo die zich gek verveelt? „Die bestaat niet echt.” En de enige voorzitter van de Parent Teacher Association (PTA) die ze goed gekend heeft, dat was ze zelf. De PTA van een Amerikaanse school is een soort ouderraad, maar heeft aanzienlijk meer taken en invloed dan een Nederlandse oudervereniging. De voorzitter is altijd een vrijwilliger, meestal een ouder, vaak een moeder. Dat de school voor elk expatgezin het middelpunt is van het sociale leven, dat heeft ze dan weer niet verzonnen.

Wat ook geen fictie is, is de eenzaamheid, het gevoel van doelloosheid, het verlorene dat het leven in een ander land bij sommigen kan oproepen. „Zo is het vaak ook, het zijn de prototypes die je overal wel tegenkomt. De supernaïeve nieuweling die geen idee heeft waaraan hij of zij begint. De doorgewinterde echtparen die dit leven al jaren leiden en uitstralen: daar gaan we weer, been there, done that.” Je kunt ervoor kiezen, zegt ze, je te onttrekken aan het land. In de wetenschap dat je na een jaar of wat weer vertrekt, loont het voor sommigen de moeite niet om de taal te leren, het land te ontdekken of de lokale bevolking te leren kennen. „Het hangt ervan af hoe vaak, hoe lang je waar naartoe wordt uitgezonden.”

Een stuk vrijblijvender

Wie de onderverdeling ooit heeft bedacht, weet ze niet, maar onder expats worden drie types onderscheiden: missionaries, mercenaries, misfits. De idealisten, de profiteurs en de buitenstaanders. „De een zit in het buitenland om de wereld te verbeteren.” De werknemer van een non-gouvernementele of hulporganisatie, de diplomaat hoort, denkt zij, ook in die categorie thuis. De ander is om er geld te verdienen – de werknemer van een multinational. „En de derde groep voelt zich verloren.” Die laatsten, dat zijn vaak de meegaanders, de vrouwen-van, en over hen gaat haar boek. „Tegenwoordig kom je vaker meereizende mannen tegen, maar op een of andere manier lijken die zich beter te redden. Ze vinden makkelijker iets wat ze leuk vinden om te doen, wat belangrijk is, anders krijg je onherroepelijk problemen.”

Tessa Kollen heeft het heel wat drukker dan de vrouwen in haar boek, zegt ze. En met het vrouw-van zijn, heeft ze geen moeite. Zij deed, net na de oorlog daar, in 1999 een jaar ontwikkelingswerk in Bosnië. Voor Oxfam/Novib richtte ze een veldkantoor op in Tunis tijdens de Arabische Lente. Het had, wil ze maar zeggen, ook omgekeerd kunnen zijn: hij mee met haar. „Ik beschouw ons leven als een team effort. We are in this together. Het succes van ons als geheel vind ik belangrijker dan mijn individuele prestatie.”

Lees ook: Derdecultuur-kinderen passen zich makkelijk aan

Zij heeft, als vrouw van een diplomaat, geen verplichtingen. „Dat is een stuk vrijblijvender dan het vroeger was.” Toen was het de vrouw die kwartier maakte, die de kinderen hielp settelen, die het huis, de auto, de telefoons regelde. „Stiekem is dat nog steeds een beetje zo. De dag na de verhuizing gaat Roeland naar zijn werk, de rest doe ik.”

Sneller de diepte in

Het heeft iets paradoxaals. De eerste zorg in een nieuw land is het leven zo snel mogelijk inrichten zoals het daarvoor, op een andere plek, was. „Of je nou in Kenia of Marokko zit, je bent er om te leven”, zegt zij. Dat leven is niet zo heel anders dan het gezinsleven zoals ze dat in Nederland gehad zou hebben. „Werk, school, en ’s avonds eet je samen thuis. Of je daarvoor nou boodschappen hebt gedaan bij Albert Heijn of de Nakumatt maakt weinig uit.” Groot verschil is wel dat haar kinderen opgroeien als Nederlanders die nauwelijks in Nederland hebben gewoond. Zijn ze ‘derdecultuur-kinderen’, kinderen die te midden van verschillende nationaliteiten opgroeien en daardoor een culturele sensitiviteit zouden ontwikkelen? Ze lacht. Haar oudste zoon kon op z’n vierde zijn jas niet zelf dichtritsen. De jongste weigerde in Nederland op schoenen te lopen. „Zo gek was dat niet. Schoenen, jassen, hoezo? Ze waren Afrika gewend.”

De vrienden die ze maakte in Qatar zijn veelal ouders van schoolvriendjes van de kinderen. De koppels zijn Armeens-Amerikaans, Canadees-Pakistaans, Amerikaans-Sri Lankaans-Roemeens. „De gemengde afkomst is ook onderdeel van mijn identiteit, en die van de kinderen.” Op een plek waar iedereen vreemdeling is, ontstaan hechte vriendschappen sneller dan normaal, is haar ervaring. „Iedereen raakt daar bedreven in, er is geen tijd om na te denken: ‘wat vind ik eigenlijk van jou’. Je gaat veel sneller de diepte in.”

Hoe erg is het helemaal om af en toe een abaja te dragen?

Net zo snel worden vrienden uit elkaar gehaald, als een van beide partijen naar een volgend land vertrekt . „Dan moet je maar afwachten of je elkaar ooit ergens weer zult treffen. Maar dat is niet erg. Ook als je elkaar na tien jaar ziet, pak je de draad weer op.”

Over een dag of twee gaat ze terug naar Doha, daar is het inmiddels 35 graden. „Dat vinden wij nog nét lekker.” Van half mei tot half september kan de temperatuur oplopen tot ver boven de 40 graden. „Maandenlang leeft iedereen binnen.”

Waar ze hierna heengaan, weet ze nog niet. „Rond de zomer verschijnen de lijsten met vrijgekomen posten en begint het fantaseren over de toekomst.” Ze zou het niet erg vinden als ze na acht jaar ervaring in het Midden-Oosten in die contreien blijven. Haar maakt het niet uit waar ze heen gezonden worden. Geen absolute no-go’s? Ze denkt hardop na. „Liever niet naar Riad misschien?” Omdat ze daar, als vrouw, minder bewegingsvrijheid heeft? Even snel als ze het bedacht, weerlegt ze het, diplomatiek. „Daar pas ik wel een mouw aan. En hoe erg is het helemaal om af en toe een abaja te dragen?”