Opinie

Kut

In 010

Met Pasen streek ik neer op een terras in Blijdorp om de krant te lezen. Naast mij verzamelde zich een groepje jongeren. Ze waren zomers, maar ook smaak- en stijlvol gekleed. Hun gespreksstof verried eveneens een zeker niveau. Het ging over The Economist en Het Financieele Dagblad. Ik schatte hen in als studenten van de Erasmus Universiteit. Of anders als jonge werkers in de financiële dienstverlening of in de advocatuur.

Ze hadden geen Rotterdamse tongval. Eerder een tikkeltje Studentencorps of een snufje Goois, vooral die vette ‘r’. Ik probeerde me op de krant te concentreren, maar door de korte afstand kon ik alles letterlijk verstaan. En telkens in al die mooigevormde zinnen kwam één woord terug: „kut”.

Dit was kut en dat was kut. In een enkel geval was iets zelfs kutter dan kut.

Ik dacht: hoe valt deze schuttingtaal te rijmen met een, vermoedelijk, hoog opleidingsniveau? Zou het wellicht een herkenningscode zijn? In de trant van: we zijn weliswaar niet van de straat, maar we kennen haar wel. Zoals VVD’ers uit de school van Wiegel het vaak hebben over ‘we motte’ en ‘we zoue’.

Of zou het te maken hebben met de vervagende grens tussen privé en publiek, peinsde ik verder. De publieke ruimte niet meer als plek waar een algemeen ordenend principe geldt - in dit geval beschaafd taalgebruik - maar waar je helemaal jezelf moet kunnen zijn en met niemand wat te maken hebt. Anders gezegd: doorgeschoten individualisering.

En zo zat ik maar te piekeren, terwijl ik eigenlijk van plan was de restaurantrecensie in het NRC-stadskatern te lezen. Naast mij raasde het ondertussen voort. Nu had iemand het over een „fucking stapel kranten” bij hem thuis.

Moest ik er iets van zeggen? Zelf ontglipt mij ook wel eens iets onwelvoeglijks, moest ik toegeven. Maar toch vooral als ik alleen was en mijn printer dienst weigerde. Dus, ik mocht ingrijpen, vond ik.

Ik zette een vriendelijke glimlach op en zei: „Sorry jongens, ik hoor steeds maar van kut dit en kut dat.” En om niet al te zedenmeesterig over te komen voegde ik eraan toe: „Er zijn toch ook ándere leuke woorden.”

Het viel even stil en toen zei een van hen: „Dank u, mijnheer, ik wil het graag afleren.” Zelden heb ik meer succes gehad in een Paasweekend.