Hij bestáát: de Prins Willem- Alexanderhaven

Koningsdag In Rotterdam komt de jarige koning (driewerf hoera) er bekaaid af. Niet één straat draagt zijn naam. In de hele stad is maar één plek vernoemd naar het staatshoofd – en die plek is nagenoeg onzichtbaar. Een reisverhaal.

De Prins Willem- Alexanderhaven is kort na de geboorte van de huidige koning in 1967 gegraven.
De Prins Willem- Alexanderhaven is kort na de geboorte van de huidige koning in 1967 gegraven. Foto Walter Herfst

Als je de naam Willem-Alexander intoetst in de Rotterdamse straatnamen-app kom je alleen de Prins Willem-Alexanderhaven tegen. Die haven ligt ten zuidoosten van Pernis, de Streefwaalseweg loopt erlangs.

Die weg voer ik als reisdoel in in mijn navigatie en zo kruip ik – enigszins naïef – achter het stuur. Zeventien kilometer, tweeëntwintig minuten, A20, A4, Beneluxtunnel, een paar eigenaardige slingers en de Prins Willem-Alexanderhaven ligt aan mijn voeten.

Denk ik dan nog. Want ik ben goed en wel de bocht van de Streefwaalseweg om of ik stuit op een slagboom. Er staan vrachtwagens voor, het is de ingang van een bedrijf. Ik draai om en ga op zoek naar een andere mogelijkheid om bij de Prins Willem-Alexanderhaven te komen. Als er geen flatgebouwen van containers stonden, zou ik hem al kunnen zien, zo dichtbij ben ik. Maar er staan dus wel flatgebouwen van containers, hele wijken zelfs, achter hoge hekken. En vanaf de Vondelingenweg kun je nergens, helemaal nergens, afslaan naar de haven.

Een familie van havens

Waarom is in Rotterdam eigenlijk geen enkele straat, weg of laan naar Willem-Alexander vernoemd? „Heel simpel”, zegt Jantje Steenhuis, voorzitter van de Rotterdamse Straatnamencommissie. „Omdat hij al een haven heeft. Die heeft kort na de geboorte van Prins Willem-Alexander in 1967 zijn naam gekregen. Naar zijn broer Johan Friso, geboren in 1968, is ook een haven vernoemd. Toen weer een jaar later de jongste broer Constantijn werd geboren, waren de havens op. Naar hem is veel later een weg genoemd in Prinsenland.”

Lees ook dit artikel over Rotterdamse straatnamen: Straatnamen als spiegel van de stad

Naar de kinderen van Willem-Alexander heten de Prinses Amalia-, de Prinses Alexia- en de Prinses Arianehaven op de Tweede Maasvlakte. Daar is ook het Maximaviaduct.

De Prins Willem-Alexanderhaven is kort na de geboorte van de naamgever gegraven, en ligt tegenover de Prins Beatrixhaven. Het water maakt deel uit van het haven- en industriegebied van de City Terminal. Na het vertrek van de containerterminal van ECT in 2015 heeft het Havenbedrijf de 66 hectare en de 1.500 meter kade heringericht voor shortseahandling, het transport over korte zeeroutes vanaf bijvoorbeeld Scandinavië en het Verenigd Koninkrijk.

Het Havenbedrijf investeert 60 miljoen euro in nieuwe infrastructuur en het bedrijfsleven zo’n 180 miljoen euro in het gebied. De Prins Willem-Alexanderhaven biedt nu onder meer plaats aan Cool Port (de grootste overslagloods voor gekoeld fruit in West-Europa), Mainport Container Services (onderhoud en reparatie van koelcontainers), Rotterdam Shortsea Terminals en Uniport.

Slagbomen

Op de app zie ik dat de enige andere manier om in de buurt van de Prins Willem-Alexanderhaven te komen de ingang aan de Reeweg is. Maar als ik overschakel naar het satellietbeeld wordt duidelijk dat daar ook slagbomen staan. Ik zie het al voor me: „Wat komt meneer doen?” „Een beetje rondkijken.” Het antwoord kan ik raden: „Die slagbomen zijn er niet voor niets, meneer.”

Bij het Havenbedrijf heb ik al snel projectmanager Jeroen van Meel aan de lijn, de man die mij met alle plezier wil rondleiden. Sinds ECT in 2015 is verhuisd naar de Maasvlakte is de Prins Willem Alexanderhaven inderdaad een ‘project’ geworden, zegt hij. Eerst waren er plannen voor woningen, er is even sprake geweest van de nieuwe Kuip op deze plek. Met de mededeling dat dit dé ‘shortseahub’ van Europa wordt, krijg ik het eerste zuivere havenbedrijfjargon binnen.

De volgende dag meld ik me bij de beveiligingsbeambte van de City Terminal. Hij geeft me een in- en uitrijpas en laat me op een A4’tje zien waar ik Van Meel kan vinden. Die had me al gezegd dat ik „op de TOD” moet zijn, waar ooit de Technische Onderhouds Dienst zat.

De slagboom gaat omhoog en ik volg de aangegeven route. Ik zoek een slank gebouw waar Port of Rotterdam op staat. Daar valt mijn oog op een soort keukendeur naast een vuilcontainer. Boven de deur valt inderdaad te lezen dat het een onderkomen van het Havenbedrijf betreft, geen imposante entree dus. Op de eerste verdieping tref ik een glazenwasser die op een trapje staat te doen wat glazenwassers doen.

Dan komt Van Meel me tegemoet, een rijzige vent, zwart T-shirt. Hij kent dit terrein als geen ander, want voordat hij bij het Havenbedrijf kwam, werkte hij bij de ECT. Hij wijst op satellietfoto’s aan de wand waarop het gebiedsplan City Terminal in zijn verschillende fasen is ingetekend. Het gebouw waarin we ons bevinden, wordt binnenkort gesloopt, zegt hij.

Scanpoorten

„Je komt op een bijzondere dag”, zegt Van Meel, „want vandaag gaat de gate live.” Hij moet me uitleggen wat dat betekent: de gate gaat live. Door het raam wijst hij op de nieuwe scanpoorten die de containertrucks passeren voordat zij de openbare weg bereiken. De wagen, chauffeur en lading: alles wordt gecheckt.

Terwijl we naar de auto lopen, vertelt hij over de geschiedenis van de container. In 1967 werd in de toenmalige Prinses Margriethaven het eerste containerschip gelost. Een revolutie voor het vervoer over zee; tot ver in de jaren zeventig was stukgoed nog een belangrijke factor in de Rotterdamse haven. Een schip lag toen een week aan de kade om te lossen.

De Prins Willem-Alexanderhaven: 66 hectare en 1.500 meter kade.

Foto Walter Herfst

„Tegenwoordig is dat eerder 12 dan 24 uur” zegt Van Meel. „Dat betekent dat de kades moeten worden opgedikt omdat de hoeveelheid containers die één schip binnenbrengt, over het water, het spoor of de weg niet zo snel kan worden weggewerkt.” Ik noteer: kades opgedikt.

We rijden langs de containerwijken en dan, eindelijk: water, de Prins Willem-Alexanderhaven, hij bestáát.

Dozen met een motortje

Aan de kant ligt een schip LNG (vloebaar aardgas) te bunkeren, de brandstof die moet bijdragen aan een schonere scheepvaart. „We zijn helemaal vol van de energietransitie,’’ zegt Van Meel. „Het is wel mooi dat schepen op LNG moeten gaan varen, maar waar kun je dat tanken? Ik zei: kom maar op. Het is qua regelgeving zo complex, daar ligt wel een meter noodprocedure achter.”

Lees ook een artikel over de energietransitie in de haven: ‘Alsof kolen er wel eventjes uit kunnen’

Een volgende stop, net om de kopse kant van het havenbekken heen, brengt ons bij Mainport Container Services, een bedrijf gespecialiseerd in reefers. „Dozen met een motortje”, noemt Jeroen Schilperoort, manager depot operation dit soort containers. Het zijn in feite enorme koelboxen waarin bederfelijke waar wordt vervoerd. Nadat ze op de Maasvlakte zijn gelost, worden ze hierheen gebracht om grondig schoongemaakt en waar nodig gerepareerd te worden. Schilperoort voert me door het vernuftige, dubbellaags inspectiedek waar deze veertigvoetcontainers worden „gehandeld” (Engels uitgesproken).

Als Van Meel me terugbrengt, zeg ik: „Volgens mij werk je in een jongensboek.” „Jazeker”, zegt hij. „Ik krijg er nog voor betaald ook.”

En ik heb de Prins Willem-Alexanderhaven gezien.