Recensie

Recensie

Zijn dochter bekijkt haar appjes, hij scant topmodellen op Instagram

De mens als machine De mens dreigt steeds meer te veranderen in een emotieloze machine, die vooral bezig is met zijn onsterfelijkheid. Vier nieuwe boeken brengen dit levensgevoel in kaart.

Illustratie: Jenna Arts
    • Margot Dijkgraaf

‘Ik heb mijn vrouw op internet gezet’, zegt de verteller van het korte verhaal ‘E-commerce’, ‘je moet een plekje vinden voor degenen van wie je houdt. Waarom dan niet daar.’ Honderden naaktfoto’s maakte hij van haar, nu staat zijn vrouw te koop, ‘ter beschikking van meer dan zes miljard mensen die een paar seconden geleden niet eens wisten dat ze bestond’. ‘De wereld is tegenwoordig oneindig klein’, constateert hij, ‘dwergachtig. Instant. De planeet is onmiddellijk. Die kan zich in een fractie van een seconde in mijn computer nestelen.’

In een ander verhaal uit de bundel Onmenselijk meldt de verteller dat zijn vrouw een paar dagen geleden is gestorven. ‘Zonder enige aankondiging. Ondankbaar.’ Hij heeft haar direct vervangen, en ‘dezelfde’ genomen. Waarom zou hij veranderen? Hij houdt niet van verandering, en ‘ze wordt nog geproduceerd’. In het verhaal ‘Transhumanisme’ huilt een man; hij constateert dat zijn geslachtsdeel aan het verdwijnen is. Waar zijn lid had moeten zitten is ‘het vlees plat’ geworden. Een paar dagen later ‘gaat ook de vagina van zijn vrouw dicht’. Opnieuw huilt hij. Wat er overblijft is ‘alleen leegte’.

Absurd zijn deze verhalen, grotesk, pervers, apert onsmakelijk en vol inktzwarte humor. Wie het werk van Philippe Claudel (1962), de schrijver van onder andere Grijze zielen en Het kleine meisje van meneer Linh kent, kan bijna niet geloven dat ze uit dezelfde pen komen. Claudel laat hier een volstrekt ander gezicht zien, hij toont zich satiricus, woest en venijnig, cynisch en op oorlogspad. Intens ongerust is hij over de manier waarop de mens moreel ontspoort, zich overlevert aan razendsnelle technologische ontwikkelingen en dat alles bovendien – een gotspe – voor zoete koek aanneemt als vooruitgang.

De onverzadigbare mens

Claudel is niet de enige die met angst en beven de uitwassen van onze kapitalistische wereld bekijkt, de macht van de algoritmes aan de orde stelt, en zich buigt over de toekomst van de mens. De mens die steeds meer dreigt te veranderen in een emotieloze machine. Onmenselijk is dan ook de titel van zijn recente verhalenbundel. De mens is verworden tot consument, hij is amoreel, onverzadigbaar, en levert zich – hoe naïef – uit aan onzichtbare systemen die zich meester maken van zijn lichaam, zijn privéleven en zijn data. Hij wordt een speelbal van multinationals die er alleen maar zelf beter van worden.

Ook Frédéric Beigbeder, Frans schrijver, journalist, dandy en tv-persoonlijkheid, buigt zich in zijn nieuwe boek Een leven zonder einde over de toekomst van de mens. Over diens mogelijke onsterfelijkheid om precies te zijn. ‘Het verschil tussen fictie en realiteit is dat fictie geloofwaardig dient te zijn’, citeert hij Mark Twain. Maar wat als de realiteit niet langer geloofwaardig is?

Tegenwoordig maakt de wetenschap het veel bonter dan fictie, schrijft Beigbeder (1965). Hij bezoekt bedrijven, start-ups en klinieken die zich bezighouden met de toekomstige mens. Het resultaat is een hilarische fictieve roman, die bij vlagen verontrustend realistisch is. Een roman ook die door de overvloed aan flauwe grappen en grollen maar geen goede roman wil worden.

10.000 likes per dag

Beigbeders hoofdpersoon, een alter ego van de auteur, is een televisiepresentator met zo’n 100.000 likes per dag. Hij is beroemd vanwege zijn ‘chemical show’ op Youtube, georganiseerde scheldkanonnades waarbij gasten een uur van te voren blind een pil moeten slikken: opiaten, libido-stimulerende middelen of psychedelische hallucinogenen. Met zijn dochter eet Frédéric in een bistro in Parijs: zijn dochter bekijkt haar appjes, hij scant topmodellen op Instagram. Praten met elkaar is er niet bij. Waar het om gaat in de nieuwe klassenstrijd, het ‘selfisme’, is de suprematie in de media. Als de digitale revolutie iets heeft veranderd is het wel dat het egocentrisme een wereldwijde ideologie is geworden.

Frédérics dochter vraagt hem of het waar is dat iedereen sterft, waarop hij haar belooft dat het hen niet zal overkomen. Dat wordt het startpunt van zijn zoektocht naar onsterfelijkheid. Hij is vijftig, zijn tijd is bijna om, hij heeft wel drie dagen nodig om bij te komen van een tequilafeestje. Wat begint met Frankenstein en Faust leidt tot bezoeken aan een genkliniek in Genève en onderzoekscentra in Oostenrijk, New York, Boston en San Diego. ‘Wat kost het eeuwige leven?’ schrijft hij aan een Israëlische hoogleraar verbonden aan de universiteit van Jeruzalem, ‘graag een kostenplaatje van mijn onsterfelijkheid’.

Vergezeld door zijn tienjarige dochter, die verliefd wordt op Pepper, haar robot op wieltjes, maakt Frédéric kennis met allerlei professoren die werken aan genetische manipulatie van menselijk DNA. Van hen hoort hij over transhumanisten die de mens willen verbeteren om, ‘net als Bill Gates en Mark Zuckerberg’, een ‘mensheid zonder ziekten’ te fabriceren. Hij duikt in een wereld waarin sequenties van het menselijk genoom, het opslaan van stamcellen, het uploaden van ons brein en self-regenerating blood shots tot het dagelijkse vocabulaire behoren. Resetten, rebooten, klonen, CRISPR-Cas9, transplanteren van varkensorganen, printen van organen in 3D – het komt allemaal voorbij in een stroom door elkaar gehusselde informatie.

Übermensch

Refererend aan publicaties uit de toekomst leert Beigbeder ons dat het menselijk leven voortaan zal bestaan uit een genetische code in plaats van een streepjescode. Wie een paar honderd jaar oud wil worden, moet bereid zijn een Übermensch te worden. Beigbeders verteller gaat ervoor, laat zich opnemen in klinieken, zijn bloed wordt vervangen, zijn dieet aangepast, zijn DNA opgeslagen, zijn schedel geïmplanteerd met een microprocessor. Zijn vrouw en zijn dochter zien er niets in: met al die onzin laat Frédéric het echte leven aan zich voorbij gaan. Wat er werkelijk toe doet in het leven – zijn familie, mooie momenten, liefde en emotie – laat hij in zijn obsessie met onsterfelijkheid links liggen. Zijn menselijkheid verdampt.

In hoeverre is dit alles fictie? Niet echt, blijkt uit non-fictieboeken als Algoritmes aan de macht van de Britse wiskundige Hannah Fry (1984) en De mensmachine, de reportage van de Ierse journalist Mark O’Connell over zijn onderzoek naar de stand van de wetenschap op het gebied van de levensverlenging. Net als bij Beigbeder begint O’Connells zoektocht na de geboorte van zijn zoon: de mens is, zo realiseert hij zich, kijkend naar zijn pasgeboren kind, kwetsbaar, weerloos, bepaald ‘geen optimaal werkend systeem’. Wat kun je daaraan doen? Wat als je een mens als een apparaat beschouwt? Hoe word je een cyborg? Hoe kun je je brein uploaden en eeuwig als een code verder leven? Wat als je als mens zou versmelten met een machine? ‘Als jij straks groot bent’, zegt O’Connell tegen zijn zoontje, ‘hoeft misschien niemand meer dood te gaan.’

Net als Beigbeder maakt O’Connell (1979) een reis langs bedrijven en de superrijken der aarde die dit soort onderzoek met enorme bedragen financieren. O’Connell concentreert zich op de transhumanisten: zij menen dat ouderdom als doodsoorzaak kan worden uitgebannen. ‘De dood zal uiteindelijk geen mysterie meer zijn maar een oplosbaar probleem’, zegt Peter Thiel, de Amerikaanse investeerder en mede-oprichter van Paypal. Voor hen is het helder: de mens moet gewoon fuseren met een machine.

Je lichaam opslaan

O’Connell spreekt ook met Anders Sandberg, een onderzoeker verbonden aan het Future of Humanity Institute in Oxford, die, net als andere transhumanisten, na zijn dood bewaard wil worden in vloeibare stikstof. Dit in afwachting van de dag waarop hij weer gereanimeerd kan worden en de wetware in zijn schedel kan worden ingelezen, omgezet in code en geupload in een nieuw soort mechanisch lichaam.

Ook ontmoet O’Connell Max More, CEO van Alcor, een Amerikaans bedrijf gespecialiseerd in ‘cryonische preservatie’, dat voor 200.000 dollar je lichaam bewaart tot het moment waarop je er weer iets aan zou kunnen hebben.

Hij ontmoet Randal Koene, een Nederlandse neurowetenschapper en oprichter van Carbon-copies: Realistic routes to substrate independent minds. Het is een verzamelpunt voor kennis op het gebied van nanotechnologie, kunstmatige intelligentie en neuro-imaging. Met Koene spreekt O’Connell over een ‘substraatonafhankelijk brein’ en ‘volledige brein-emulatie’, waarbij de geest wordt geupload en de mens volledig samensmelt met technologie. Dat het hele ‘idee van persoonlijkheid’ dan verdwijnt is bijzaak. Worden al onze handelingen niet al sterk beïnvloed door onzichtbare algoritmes? Wordt ons leven niet steeds meer vereenzelvigd met data die door wereldwijd opererende bedrijven worden teruggebracht tot winst?

Vernietiging van de mensheid

O’Connell wijdt ook een hoofdstuk aan ‘technologische singulariteit’, een begrip dat verwijst naar een toekomst waarin de intelligentie van machines die van de mens verre overtreft. Als we dat stadium bereiken ‘zal het tijdperk van de mens voorbij zijn.’ Volgens Nick Bostrom, een Zweeds filosoof, mede-oprichter van de World Transhumanist Association, kan zelfs de onschuldigste vorm van artificiële intelligentie in principe ‘leiden tot de vernietiging van de mensheid’.

O’Connell schrijft vaak met een sceptische blik over zijn onderwerp, laat zich soms meeslepen, citeert en analyseert met humor. Uiteindelijk, zo concludeert hij aan het einde van zijn boek, heeft hij het heden gezien, ‘een vreemd heden, vol vreemde mensen, vreemde ideeën, vreemde machines’. Enerzijds beseft hij maar al te goed dat zijn liefde voor zijn vrouw en zijn zoontje niet via een ander substraat gevoeld kan worden, ‘hun schoonheid was in de diepste betekenis van het woord, lichamelijk’. Anderzijds voelt hij zich na zijn zoektocht wel degelijk een code, ‘versleuteld tot de vreemde, onweerstaanbare signalen van deze wereld’.

Maar nog steeds is er niemand onsterfelijk.

Hoe zit het in onze tijd met de definitie van Mark Twain? Fictie en non-fictie geven elkaar in dit geval geen millimeter toe. De fictie is onwaarschijnlijk en heeft tegelijkertijd een hoog waarheidsgehalte. De non-fictie lijkt volstrekt onrealistisch maar stoelt op onderzoek.

De zin van het leven – daar draait het in wezen om, alle obsessies met onsterfelijkheid en levensverlenging ten spijt. Bij Claudel krijgt een verbannen filosoof ‘die op straat ligt, opgerold tot een bal als oud versleten papier’ soms een opdracht: ‘Leg het leven aan me uit. Leg de dood aan me uit. Het blauw van de hemel. Begeerte. Dromen. God. Verveling.’ De Frédéric van Beigbeder, die de ouderdom ziet naderen, zoekt als een gek naar een ontsnappingsroute. De transhumanisten nemen met hun onbegrensde vertrouwen in de techniek en dito middelen hun toevlucht tot fantasieën over een fusie van de mens met een machine – een fascinerende hypothetische wereld die voor hen werkelijker is dan voor velen van ons. Claudel ziet het uitermate somber in: wil de laatste mens het licht uitdoen?

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.