Overleg nieuwe cao Defensie blijft mislukken

Defensie De vakbonden hebben het vertrouwen in de bewindslieden van Defensie opgezegd. Binnenkort volgt opnieuw een Kamerdebat.

Foto Remko de Waal / ANP

Militairen gaan geregeld op oefening in hun weekend en krijgen daarvoor een toeslag. „Maar die is zo laag, dat de zoon van de militair op zaterdag in de supermarkt meer verdient per uur”, zegt Tweede Kamerlid Isabelle Diks (GroenLinks). „Dat hebben we laten uitzoeken.”

Het cao-overleg tussen het ministerie van Defensie en de vier militaire vakcentrales is deze week geklapt, voor de derde keer sinds de onderhandelingen over een hoger loon in oktober 2018 zijn begonnen. Diks heeft daarom een Kamerdebat gevraagd – „mijn collega Karabulut van de SP was me overigens net voor”. Dat wordt binnenkort ook gevoerd; de zoveelste keer dat de nieuwe cao in de Kamer wordt besproken. „Maar er moet dan ook echt iets gebeuren aan de beloning van militairen”, zegt Diks, die daarbij verwijst naar het zoon-in-de-supermarkt-voorbeeld.

De bonden hebben deze week het vertrouwen opgezegd in de bewindslieden van Defensie, onder wie staatssecretaris Barbara Visser (VVD). Hoeveel extra geld Visser heeft geboden, is geheim, maar het was in elk geval te weinig voor de bonden. Die eisen een stevige loonsverhoging nadat de salarissen vier jaar lang bevroren zijn geweest. Bovendien willen de militairen net als andere werknemers van de overheid een eindejaarsuitkering van 8,33 procent van het jaarsalaris, in plaats van de huidige 6,7 procent.

„Dat extra geld is hard nodig, omdat mensen nu massaal weglopen naar organisaties die beter betalen, zoals de politie”, zegt Diks. Zo krijgt een wachtmeester bij de politie al gauw honderden euro’s per maand meer dan bij de marechaussee. Defensie, waar ongeveer 56.000 mensen werken heeft op dit moment 8.000 tot 8.500 vacatures. „Mensen die blijven, moeten dus extra hard werken”, zegt Diks, die „veel onrust bij werknemers” signaleert.

Minder dan een schoonmaker

Reacties op Twitter op het klappen van het overleg doen inderdaad onrust en enig cynisme onder militairen vermoeden. Zo verwijst marinier Mark Brouwer naar een recent salarisoverzicht in het weekblad Elsevier en stelt vast dat een soldaat („vecht voor vrede en veiligheid”) iets meer verdient dan een ober en minder dan een schoonmaker. Hijzelf is kapitein – een hoogopgeleide officier – maar zou „misschien beter af [zijn] als helpdeskmedewerker. Qua salariëring dan.”

Nu is dit soort vergelijkingen niet helemaal eerlijk, omdat militairen al vroeg (met 60 jaar) stoppen met werken; het pensioen dat ze dan krijgen is een vorm van uitgesteld inkomen. „Maar iemand van 35 jaar die een huis moet kopen, heeft daar nu niet zoveel aan”, zegt Diks. „En evenmin aan de toeslagen voor missies: iemand die een half jaar in Afghanistan zit, krijgt in het weekend niet eens doorbetaald.” Toeslagen zijn ook laag, tijdelijk en niet voor iedereen weggelegd. Defensie heeft tal van toeslagregelingen, voor onregelmatig en in het weekend werken, voor trainingsmissies en uitzendingen.

Die regelingen maken onderhandelingen over hoger loon ingewikkeld. Hetzelfde geldt voor de vernieuwing van het ‘loongebouw’ (verdeling van functies en bijbehorende salarissen), dat in essentie niet is veranderd sinds de Eerste Wereldoorlog. Defensie wil daarnaast ook het pensioensysteem aanpassen – van ‘eindloon’ naar ‘middenloon’. Omdat elke verandering verliezers kent, moeten die worden gecompenseerd.

„Het is een gordiaanse knoop”, erkent Diks, „en het helpt niet dat door de voortdurende functieroulatie bij Defensie mensen die kennis van de materie hebben, vertrekken zodra ze goed zijn ingewerkt.” Diks wil de bewindslieden in de Kamer dan ook voorstellen om externe cao-experts de onderhandelingen vlot te laten trekken. „Maar vooral wil ik weten wat nu eigenlijk de reden is dat Defensie niet verder komt met de bonden. Is geld het probleem? Laten we daar dan over praten. Als we zoveel extra geld kunnen besteden aan materieel – de Walrus, de F-35 – dan kunnen we ook wel mensen die zich wijden aan onze veiligheid fatsoenlijk belonen.”