J.M. Coenenstraat, Zuid

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in Amsterdam.

Als je op de Oudezijds Achterburgwal bij Gerard Kornelis van het Reve aanbelde, en dat deed ik wel eens, schoof hij als hij thuis was het raam open en riep iets als „aan de deur wordt niet gekocht”, om vervolgens de sleutels naar beneden te gooien. Als hij niet thuis was, werd de deur opengetrokken en stond boven aan de trap een kleine, korzelige vrouw in een overgooier die zei dat Gerard er niet was. Wie zij was, wist ik niet, maar het was Hanny Michaelis, toen nog met Gerard getrouwd en een groot dichter, zoals ik later ontdekte.

Mijn hart maakte een sprongetje toen ik onlangs in een bak voor antiquariaat Feniks in de Frans Halsstraat Klein voorspel vond, haar uit 1949 daterende debuutbundel met daarin het schrijnende ‘Ghettokinderen’ (Amsterdam 1942), dat zo begint: ‘Zij spelen onbezorgd en uitgelaten/ met vuile neuzen, goor en ondervoed,/ in nauwe, haveloze ghettostraten,/ en weten niet wat men hun ouders doet.’

Hanny Michaelis was een kind van Zuid. Ze werd, in 1922, geboren in de Van Eeghenstraat en woonde daarna achtereenvolgens in de J.M. Coenenstraat, de Holendrechtstraat, de Volkerakstraat en aan de Rivierenlaan, vaak met een uitzicht. De Amstel (Rivierenlaan), de Zuidelijke Wandelweg (Volkerakstraat), de onbebouwde grond aan de andere kant van het Amstelkanaal (J.M. Coenenstraat).

In de J.M. Coenenstraat, op 35 drie hoog, beginnen haar herinneringen. Ze was drie toen ze tot de ontdekking kwam dat er tegenover hun huis een villa werd gebouwd. „Dat halen ze ’s zomers weer weg”, zei ze tegen haar moeder. De regel staat in het weergaloze gedicht dat ze aan de villa wijdde: ‘(…) Tegen het einde van/ de tweede wereldoorlog, toen mijn ouders/ al waren vergast, staken de Duitsers/ het huis is brand./ Na de bevrijding/ werd het weer opgebouwd. Het staat er/ nog (…)’. Vanaf het balkon in de Volkerakstraat ziet ze het geheimzinnige witte huis uit ‘In de vallende avond’: ‘Mijn blik begroette het verrast/ als voorpost van een weergaloze wereld/ die ooit voor me zou opengaan.’ Het huis laat zich slechts één keer zien, maar ‘(…) Sinds tientallen jaren/ rijst het plotseling in me op:/ een wit huis tussen verre bomen. Onvindbaar. Buitenaards.’

Hanny Michaelis heeft veel mooie gedichten over Amsterdam geschreven. Dit is uit ‘Druk pratend en doelbewust’: ‘Pril groen huiverde in de wind/ net als wij toen we even/ stilstonden op de brug en zonder iets/ te zeggen uitkeken over de Amstel./ De zomer leek eindeloos ver/ en tastbaar dichtbij.’ Als kleuter in de J.M. Coenen dichtte ze: ‘En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.’ Wat niet mis is.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.