Opinie

    • Beatrice de Graaf

Het heilige is gedood

Column Beatrice de Graaf De terreuraanslagen in Sri Lanka waren bedoeld om gelovigen te vernederen.

Eeuwen geleden ontstond de zwarte legende van een jood die in de Hagia Sophia-kathedraal te Constantinopel de iconostase had aangevallen. Hij had zijn dolk in een icoon gestoken waarop de afbeelding van Jezus Christus te zien was. Daarop begon de icoon te bloeden. De lijdende Christus op de afbeelding was geen portret, het was het lichaam van de Verlosser zelf, wiens bloed opnieuw vloeide. Dit was meer dan vernielzucht of religieus geïnspireerd vandalisme. Het was geen iconoclasme, het vernietigen van beelden, het was iconocide: een aanval op zowel de beeltenis als op dat wat afgebeeld is.

Iconen en religieuze afbeeldingen hebben altijd iets magisch gehad. Iconen worden in het oosters christendom gezien als rechtstreekse afbeeltenissen van heilige personen, die als gave uit de hemel zijn neergedaald. De kunstenaar is eigenlijk vrijwel overbodig. Door die iconen te bestuderen, kunnen gelovigen deelnemen aan de directe ervaring van de heilige zelf. Een plaatje op een icoon is niet slechts illustratie, het is zichtbare, goddelijke vervoering.

Wonderverhalen en legendes

Iconen inspireren tot goddelijke of duivelse daden, tot wonderverhalen en zwarte legendes. Ze halen het beste en het slechtste in mensen naar boven. Onlangs schreef de oud-aartsbisschop van Canterbury en Master van Magdalen College Cambridge, Rowan Williams, met Holy Living (2017, vertaling 2019) een prachtig boek waarin hij een lans breekt voor de herwaardering van iconen. Die afbeeldingen kunnen westerse, zeer cognitief ingestelde burgers helpen stil te staan bij de betekenis van vervoering, van empathie en lijden in een harde, snelle, te intellectualistische tijd.

Maar waar iconen, en ook heiligenbeelden, de gelovigen van dienst kunnen zijn op hun spirituele pad, kunnen ze ook doelwit worden van schisma’s, vervolgingen en religieuze conflicten. Binnen de kerk, of van buiten. De oosterse kerk zelf ontketende haar eigen eerste beeldenstorm, van het midden van de zevende tot in de achtste eeuw. De protestantse beeldenstorm van de Reformatie was daarvan maar een slap aftreksel.

Slimme marketing

De aanvallen kunnen ook van buiten komen. Zo zijn we met de aanslagen in Sri Lanka van deze week in de 21ste eeuw opnieuw beland in een middeleeuws aandoende beeldenstrijd. Niet als zwarte legende, maar als strategie. Waar komt die strijd tegen beelden, beelddragers, beeldaanbidders en hun plaatsen van aanbidding ineens vandaan? Is het alleen slimme marketing van moderne terroristen? Want: val een kerk, synagoge of moskee aan tijdens een feestdag of viering en je bent van wereldwijde aandacht verzekerd. Of is er meer aan de hand?

Volgens Alan Strathern wel. Hij publiceerde afgelopen maand zijn meesterwerk Unearthly Powers: Religious and Political Change in World History (Cambridge University Press, 2019). Als kind van antropologen groeide hij op in Papoea-Nieuw-Guinea, reisde rond door Azië, en specialiseerde zich in de religieuze geschiedenis van Sri Lanka. Zijn boek is te rijk en omvangrijk om kort samen te vatten, het is een ‘global history’ van de verspreiding van religies door de tijd, uitgaande van de vraag waardoor sommige religies zo hardnekkig zijn, en zo wereldomspannend werden, en waardoor andere zo snel weer ten onder gingen.

Veel te simpel gesteld (lees het boek!) komt het hier op neer: religies hebben ook een politieke machtsbasis nodig. De bronnen van hun macht kunnen immanent zijn, of transcendent: ze kunnen de gelovige in dít leven allerlei voordelen bieden, of ze kunnen hem redding voor het hiernamaals voorschotelen. Volgens Strathern zijn religies het meest succesvol als ze die belofte van transcendentalisme goed over het voetlicht kunnen brengen. Hoe doe je dat? Met heilige koningen, emirs of kaliefen, maar ook met beelden, iconen en heiligen die het bovenaardse belichamen. Wanneer je de beelden van de andere godsdienst aanvalt, hun aanbidders doodt, laat je zien dat die godsdienst minderwaardig is, en zijn claims niet nakomt. Sterker nog, door te stellen dat elke vorm van antropomorfe aanbidding afgodendienst is, verklaar je je eigen godsdienst tot superieur transcendent. Niet voor niets noemde de groep achter de aanslagen in Sri Lanka zich aanhangers van de ‘Eenheid van God’, ‘tawheed’. Die eenheid verbiedt elke vorm van portrettering (van God, of mensen).

Doelwitten vernederen

Door niet alleen kerken te vernielen, eerder al boeddhistische beelden te verminken, en nu ook gelovigen op te blazen, waren de aanslagen een daad van iconocide. Beelden van bloedende en lijdende christenen gingen over de wereld. De daders waren eropuit om hun doelwitten (buitenlanders, christenen) te vernederen, hun religieuze claims onderuit te halen en hun identiteit uit te wissen – en zo de eigen politieke en spirituele overmacht te poneren.

Het is te hopen dat de wereldlijke overheden in Sri Lanka en de regio gezamenlijk optrekken – niet alleen om de daders te pakken te krijgen, maar ook om heilige plaatsen, beelden en gelovigen beter te beschermen. Religieuze minderheden worden in Zuidoost-Azië over de gehele linie onderdrukt en vervolgd, de vele terroristische aanslagen tegen christenen zijn daarvan symptoom.

Het is aan alle geestelijke overheden om mogelijke IS-sympathisanten duidelijk te maken dat iconocide nooit het origineel zal doden. Dat het geen teken van macht is, maar alleen de eigen ziel schaadt.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.