Opinie

Wetenschappers misleiden mogelijk de Kamer over zelfcensuur

De KNAW adviseerde dat er geen zelfcensuur is aan de universiteit maar deed daar geen onderzoek naar, getuigt Erik C. Hendriks voor een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Hoogedelgestrenge leden der Staten-Generaal, ik zal trachten u ten dienste te zijn, op de eerste plaats door u in het rondetafelgesprek en in deze voorafgaande brief te waarschuwen dat u mogelijk aan het lijntje wordt gehouden. De Tweede Kamer verzocht in 2017 het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) met de motie-Straus-Duisenberg om de KNAW onderzoek te laten doen naar zelfcensuur en perspectivische vernauwing in de Nederlandse wetenschap. Nadat de KNAW deze opdracht formeel had geaccepteerd, is er géén onderzoek verricht.

Wel publiceerde de KNAW de adviesbrief ‘Vrijheid van wetenschapsbeoefening’ (13 maart 2018). Deze adviesbrief, die ik hieronder zal analyseren, trok, zonder enige basis in empirisch onderzoek, speculatieve, ongefundeerde conclusies, die de brief desondanks zo gedetailleerd uiteenzet, dat vluchtige lezers de indruk kregen dat er empirisch onderzoek moet zijn verricht.

Vervolgens lijkt de belofte van de brief – namelijk dat de KNAW „alert” zou zijn op tekenen van zelfcensuur – bij de eerste proef op de som dit jaar al niet te zijn waargemaakt. Toen concrete klachten van een Nederlandse promovendus over de druk tot zelfcensuur dit jaar een onderzoeksvisitatiecommissie bereikten, was er niets te merken van alertheid. Onderzoeksvisitatiecommissies trachten mede in opdracht van de KNAW problemen te signaleren op Nederlandse onderzoeksinstellingen. De aan de commissie kenbaar gemaakte klachten werden niet vermeld in het uitgebreide officiële rapport van de betreffende visitatiecommissie, zoals ik hieronder zal toelichten.

Kortom, de Kamer heeft niet het algemene inventariserende onderzoek gekregen waar ze om vroeg en er is reden om te betwijfelen of signalen van zelfcensuur, zelfs concrete klachten over de druk tot zelfcensuur, überhaupt wel worden geregistreerd door de verantwoordelijke evaluerende instanties.

KNAW deed geen onderzoek

De motie Schriftelijke uiteenzetting standpunt in rondetafelgesprek Verscheidenheid in wetenschap verzocht „de regering om een nadere beschouwing en advies te vragen aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap in Nederland een rol spelen”. Ze werd geïnspireerd door „de overwegend in het buitenland gevoerde discussies over homogeniteit, zelfcensuur en gebrek aan diversiteit in de wetenschap”. De KNAW vertaalt dit naar de volgende twee vragen: „Is er aanleiding om ons in Nederland zorgen te maken over zelfcensuur en beperking van diversiteit aan perspectieven? Bestaan er specifiek Nederlandse mechanismen die de kans op zelfcensuur of gebrekkige diversiteit vergroten?”

Deze twee vragen heeft de KNAW vervolgens niet onderzocht. De KNAW beroept zich ook niet op door anderen uitgevoerde onderzoeken naar zelfcensuur en ideologische blikvernauwing op Nederlandse universiteiten. Eigenlijk is de KNAW-adviesbrief vooral een soort van algemene lofzang op de wetenschappelijke vrijheid en een belofte om deze hoog in het vaandel te dragen.

Toch trekt de KNAW-adviesbrief ook stevige conclusies, waarin wordt ontkend dat „beknellende schoolvorming” op dit moment in de Nederlandse wetenschap een structureel probleem is en waarin ideologiseringsdynamieken onbesproken blijven. Er wordt nog wel een voorbehoud gemaakt op pagina 4: „Het briefadvies pretendeert daarmee geen alomvattende verkenning van het thema vrijheid in wetenschapsbeoefening te geven.”

De brief als geheel, inclusief de samenvattingen in de brief zelf en op website, vermelden echter nergens dat er geen empirisch onderzoek is verricht en schetsen daardoor een misleidend beeld. Zo wordt in de aankondiging van de adviesbrief de conclusie als volgt samengevat: „Er zijn geen signalen dat er in de wetenschap in Nederland structureel sprake is van zelfcensuur en beperking van diversiteit aan perspectieven, maar we moeten wel alert blijven.” Het feit dat de opstellers van de brief en de KNAW helemaal niet op zoek zijn gegaan naar zulke signalen, wordt niet vermeld, ook al zou dit de conclusies in een ander licht plaatsen.

Verkeerde indruk

De Kamer zou niet alleen staan als ze de verkeerde indruk zou krijgen. Het bleek voor veel lezers verleidelijk om te veronderstellen dat de KNAW aannemelijk had gemaakt dat er op dit moment binnen de Nederlandse wetenschap geen structureel probleem bestaat, hoewel daar eigenlijk helemaal geen onderzoek naar is gedaan. Zo leken ook veel journalisten het ontbreken van een onderzoek en een onderzoeksmethode over het hoofd te hebben gezien.

Lees ook: Gender studies en postkolonialisme zijn wel degelijk linkse disciplines

De adviesbrief maakt trouwens wel een interessante theoretische nuancering: dezelfde discipline kan op verschillende universiteiten een andere specialisatie of theoretische oriëntatie hebben. Er kan dan lokaal, op een specifieke universiteit, een bepaalde schoolvorming ontstaan, zonder dat dit hoeft te leiden tot „ongewenste, vrijheidsbeperkende schoolvorming” op landelijk niveau. Het advies stelt vast dat de „diversiteit van ideeën niet noodzakelijkerwijs op het niveau van individuele onderzoeksgroepen hoeft te worden gerealiseerd; essentieel is dat diversiteit op landelijk niveau ontstaat en dat hoeft lokale schoolvorming dus niet in de weg te staan.”

Dat is natuurlijk een legitiem punt, maar als dit ons gerust had moeten stellen, geldt de tegenwerping die ik eerder formuleerde in mijn NRC-opiniestuk ‘Gender studies en postkolonialisme zijn wel degelijk linkse disciplines’. Ik schreef, ietwat gechargeerd: „Het maakt niet uit op welke gender study-afdeling je leert dat het kapitalistische patriarchaat de mythe van de man-vrouwbinariteit gebruikt om minderheden te onderdrukken, want je blijft in dezelfde ideologische olievlek rondzwemmen.”

Beknellende ideologische schoolvorming

Toch is er simpelweg geen onderzoek gedaan naar de mate waarin regionale variëteit in schoolvorming de lokale schoolvorming compenseert en zo beknellende ideologische schoolvorming op landelijk niveau verhindert. We weten helemaal niet of deze vorm van regionale variëteit überhaupt een factor van betekenis is in de ideologisch-intellectuele diversificatie van de Nederlandse universitaire wereld.

Maar de KNAW en de wetenschappelijke wereld zouden hun oren spitsen als er klachten van wetenschappers over een ervaren druk tot zelfcensuur zouden binnenkomen. Ik ken ten minste één geval van een duidelijke klacht over de ervaren druk tot zelfcensuur in het huidige academische klimaat die een officieel visitatierapport over het departement geschiedenis en kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht niet heeft gehaald, ondanks de belofte van de KNAW dat er op dit punt alert op signalen zou worden gereageerd. Als klachten de officiële rapporten niet halen, komen ze normaliter niet aan op het Ministerie van OCW, noch in de Tweede Kamer. Dit is met name problematisch in combinatie met het gegeven dat er nog geen onderzoek naar zelfcensuur en ideologische blikvernauwing op Nederlandse universiteiten is verricht.

Eric C. Hendriks is socioloog en werkt aan de Universiteit van Bonn. Dit is een ingekorte versie van de brief die hij aan de Kamer schreef, voorafgaand aan het rondetafelgesprek op dinsdagavond 23 april.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.