Sander de Wijn (28) is terug op het hockeyveld. „Ik neem veel verantwoordelijkheid, soms te veel hooi op mijn vork. Misschien is dat niet meer de manier.”

Foto Bastiaan Heus

Na het blessureleed kwam voor hockeyer Sander de Wijn de angst

Interview Sander de Wijn, hockeyer

Na maanden blessureleed is hockey-international Sander de Wijn (28) terug op het veld. Met hulp van een sportpsycholoog richt hij zich nu op Tokio 2020.

De tranen van Sander de Wijn hebben een voorgeschiedenis. Twee keer zijn ze er, op deze woensdagmiddag in een café bij hem om de hoek in de Utrechtse wijk Wittevrouwen, zijn rode Vespa pal voor de deur, hockeystick mee voor de foto.

Als hij terugdenkt aan het moment dat hij door de douane liep op Schiphol na het WK in India, de deuren zich openden en zijn vriendin hem stond op te wachten. Toen hij zich niet meer groot hoefde te houden over het vooruitzicht van maanden langs de kant met de hamstringblessure die hij in de beslissende fase van het toernooi had opgelopen. Hij had de rest van het Nederlandse team niet willen hinderen met zijn verdriet, dat móést, vond hij zelf, alleen kwam de klap daarna twee keer zo hard aan.

En even later in het gesprek, als hij terugdenkt aan de eerste training met zijn club Kampong – na maanden langs de kant kon hij weer voluit sprinten. „Zie je, daar ga ik al bijna weer”, zegt hij zoals mensen dat altijd lijken te doen uit een soort ongemak over spontane emoties.

Afgetrainde professionals

Sander de Wijn (28) is vaker geblesseerd geweest. Je doet er als tophockeyer alles aan om de kans erop te verkleinen, zeker iemand als hij. Hij is in zijn carrière altijd heel erg bezig geweest met zijn lichaam, was naar eigen zeggen een van de eersten die rond zijn twintigste, eenentwintigste bij het Nederlands elftal serieus aan krachttraining deed. De bierdrinkende studenten werden afgetrainde professionals, ook omdat het hockey de afgelopen jaren steeds fysieker is geworden. Maar hoe goed je je lichaam er ook op inricht, ook De Wijn raakte geblesseerd. 2013, achterste kruisband, ook maanden uitgeschakeld. Zijn laatste blessure was alleen anders, zegt hij. Door de voorgeschiedenis.

Daarvoor zou je terug moeten naar Rio, de Spelen in 2016. Een piekmoment, zegt De Wijn. 26 was hij toen, vanaf dan komen als hockeyer vaak je beste jaren. Een deceptie werd het, vierde. „Alles werd het jaar ervoor in het teken gezet van het Nederlands elftal. We zijn tegen beter weten in doorgegaan, en maar doorgegaan. Terwijl heel veel spelers een onderbuikgevoel hadden van: het is niet goed hoe we het nu doen.”

Intussen zat De Wijn in zijn achterhoofd met zijn studie bedrijfskunde. Hij begon eraan, zoals elke speler dat doet, omdat het hockey ook een keer ophoudt. Maar het is steeds vaker het een of het ander, doordat het internationale programma steeds drukker wordt. Hij ziet de worsteling bij de jonge jongens.

Studiejaar stoppen

Toen hij begon bij het Nederlands team, in 2010, was het minder intensief, maar alsnog: als je goed genoeg bent, ga je mee naar elk toernooi of elke trainingsstage en is er geen weg terug. Ze zijn er, jongens die het kunnen combineren, maar hij kon dat niet. Toch: hij wordt ook ouder, dus hij wilde die studie afmaken. Na het gewonnen EK in eigen land in 2017 besloot hij een studiejaar lang te stoppen bij het Nederlands team en stage te lopen.

Een jaar leefde hij „als monnik”. Iedere dag kwart over zeven ’s ochtends op, tot vijf uur ’s middags naar kantoor, vervolgens trainen bij Kampong, waar hij wel bleef spelen. Of voor zichzelf – alles om weer in goede vorm terug te kunnen komen bij het Nederlands team. Woensdagavond was zijn enige vrije moment. Tien uur naar bed de hele week, anders was hij de dag daarna niets waard.

Lees ook: Kampong is de club waar je het liefst speelt.

Maar toen hij bij Oranje terugkeerde in de zomer van 2018 bleek al snel dat hij de aansluiting had gemist. Met zijn ervaring lijkt een jaar kort, maar de trein was zonder hem doorgedenderd. „Ik weet nog de eerste momenten. Iedereen was nóg sneller, nóg technischer. Het was aanpoten. Ik heb in dat jaar heel hard en extra getraind, maar kennelijk was er nog zoveel meer. Zie het zo: als de andere jongens zes weken lang tien keer per week aan het trainen zijn en ik kom tot zeven, dan mis je er in feite al dertig. Dat stapelt zich op. Al doe je nog zo je best, je kunt het niet compenseren.”

Hij raakte een maand na zijn terugkeer licht geblesseerd aan zijn lies. Misschien, denkt hij nu, omdat zijn lichaam minder belastbaar bleek dan dat van de anderen. Het belemmerde hem, vooral mentaal. De andere spelers, de staf, ze zagen niets aan hem. Hij speelde goed, kreeg ook waardering, maar voelde dat hij niet zichzelf was, niet maximaal kon presteren. Het werd in meerdere opzichten een zeurende pijn. „Ik baalde daarvan. Ik had zo keihard gewerkt om terug te komen. En dan zeggen ze in het team: ‘nee joh, het komt allemaal wel goed’. Nee, dacht ik dan, ik heb last. Ik heb last.”

Lichaam en geest

De Wijn is ervan overtuigd dat de problemen met zijn lies hebben meegespeeld bij de blessure aan zijn hamstring op het WK, eind vorig jaar. Zijn lichaam was uit balans, zo voelde het.

Het bewuste moment tijdens de achtste finale tegen Canada vindt hij nog steeds vreemd. Elke keer als hij de film in zijn hoofd afspeelt, of de beelden terugkijkt. „Ik maak echt een rare beweging, ik ben te laat. En het was onnodig: 2-0 voor, niets aan de hand, ik ben ervaren en berekenend genoeg. Ik doe daar iets geks, puur omdat voor mijn gevoel mijn lichaam later reageert dan mijn geest.”

Lees ook: Geen wereldtitel voor hockeyers, maar wel vertrouwen in de toekomst.

De fysieke pijn wordt al snel vervangen door de gedachte aan weken, misschien maanden geen hockey. De Wijn blijft bij de groep, want hij weet dat hij ook van waarde kan zijn buiten het veld. In India gaat het nog een paar dagen om het team, maar thuis in Nederland denkt hij weer aan zichzelf.

Al drie dagen na terugkomst gaat hij naar Oostenrijk, een week met zijn moeder en haar vriend, een week met zijn vriendin en schoonouders. Het moest de verdiende afsluiting zijn van een intensieve periode : lekker skiën, spelletjes, lekker eten. Hij had ernaar uitgekeken.

Maar skiën kon hij niet, hij bleef achter in het appartement. Soms bleef er iemand bij hem. Hij had alle tijd om na te denken. Er waren dagen bij dat hij niet uit zijn bed kwam. Twee piekmomenten, de Spelen en het WK, twee keer een deceptie. De Wijn ging twijfelen of hij nog wel door wilde. „Je hebt twee enorme teleurstellingen gehad en dan is er de angst dat dit nog een keer gebeurt.”

Mentaal was het een zware periode. Hij had ook al een paar moeilijke jaren met zijn gezinssituatie achter de rug, vertelt hij, maar daar wil hij verder niet veel over kwijt. En dan deze nieuwe angsten.

Zijn moeder raadde hem aan hulp te zoeken. Dus ging De Wijn naar een sportpsycholoog. „Ik heb geen moeite me daarvoor open te stellen. Het helpt om tegen een onafhankelijk iemand aan te kunnen praten, zonder dat die gelijk een oordeel heeft.”

Palmares

Na een aantal sessies kwam hij tot het inzicht dat hij nog graag zou willen meedoen aan de Spelen van Tokio, volgend jaar. Nu is hij samen met zijn psycholoog op zoek naar de manier waarop. „Ik ben iemand die veel verantwoordelijkheid neemt, en soms wat te veel hooi op zijn vork. Maar misschien is dat in deze fase niet meer de manier, omdat ik al zoveel heb meegemaakt.”

Hij dacht aan de vraag die iemand hem de afgelopen periode stelde: als hij nu zou stoppen, had hij dan het maximale uit zijn carrière gehaald? „Ik ben blij met mijn palmares, denk ik dan, mijn legacy, maar heb ik er voor mezelf het maximale uit gehaald? Mwah, daar durf ik niet volmondig ja op te zeggen. Er zit nog wat in het vat. Je gaat deze tijd nooit meer terugkrijgen, dus maak er dan het beste van.”

Het gaat voor De Wijn, die vorige donderdag in de Euro Hockey League weer zijn eerste minuten maakte voor Kampong, nu om lekker spelen, even niets meer moeten. „Ik geef mezelf nooit zoveel tijd, dus leg onderbewust veel druk op mezelf. Dat moet ik proberen voor me uit te schuiven.”

Eerst dat, dan een goed olympisch jaar richting Tokio.

Als de afgelopen maanden ergens goed voor zijn geweest, dan was het wel dat De Wijn beter heeft kunnen leren relativeren. „Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend, iedereen heeft constant maar verwachtingen. Dat je honderd procent toegewijd bent, jaar in, jaar uit. In die zin was het misschien goed dat het me bewustmaakte van mijn situatie, en wat ik daadwerkelijk wil. Anders zit je maar in die trein, die maar doorgaat zonder dat je je realiseert wat je aan het doen bent.”