Recensie

Recensie Theater

Is het lijden van Jezus geschikt om op te dansen?

De danstaal van het choreografenkoppel Greco en Scholten lijkt uitgewerkt. Al gaf de solo van Nahimana Vandenbussche die nog even een nieuwe glans.

Danser Victor Callens laat zich in crucifixhouding ondersteunen in Passione
Danser Victor Callens laat zich in crucifixhouding ondersteunen in Passione Foto Alwin Poiana

Geen betere taal om het lijdensverhaal te verbeelden dan de dans, dixit Emio Greco. Samen met zijn vaste compagnon Pieter C. Scholten creëerde hij Passione voor zeven dansers van het Ballet National de Marseille, de groep waarvan zij na dit seizoen onvrijwillig afscheid moeten nemen. In hun passiespel, gezet op een door Franck Krawczyk voor pianosolo bewerkte Matthäus Passion, wordt het lijden van de Christus in een zevental solo’s verbonden met het lijden van de danser. Die is, aldus Greco, als geen ander in staat de lichamelijkheid van het lijden en de zelfopoffering te verbeelden.

De zeven solo’s, geënt op het zeven-punten-manifest van het Italiaans-Nederlandse choreografenkoppel, zijn een vervolg op Greco’s solovoorstelling Passione in Due (2012). Ze verwijzen ook naar andere werken uit hun oeuvre. Passione is als het ware een feest van herkenning. Niet alleen zijn de herhaalde beelden van Jezus’ kruisweg, kruisiging en kruisafname onmiskenbaar, maar het stuk is ook een staalkaart van telkens terugkerende elementen uit het bewegingsidioom, dat zich in de loop de jaren niet opzienbarend heeft ontwikkeld.

De eerste solo, door Greco’s evenbeeld Denis Bruno, lijkt een echo van de solovoorstelling Fra Cervello e Movimento: Bianco uit 1995. Bruno laat zien hoe Greco het lichaam heeft losgemaakt uit een volledig beheerst, cerebraal klassiek kader en zich hypersensitief, dierlijk en genotzuchtig verliest in extremen. In de solo van de fantastische Nahimana Vandenbussche krijgt die toch langzamerhand wat uitgewerkte danstaal wel nieuwe glans.

De relatie tussen het lijdensverhaal en de ‘passie’ van de danser wordt niet overtuigend gelegd. Het duidelijkst gebeurt dat nog in de solo van Victor Callens, die beurtelings uitbundig zwiert, zwenkt en neerstort of zich in crucifixhoudingen laat ondersteunen, zij het dat dat dan weer wat al te plat en direct is. Echt boeien, laat staan ontroeren, doet dit mystiekerige tijdreisje door het eigen repertoire dan ook niet.