Foto Lars van den Brink

Hoe de meest doorgemeten persoon van Nederland leeft

Quantified self Data-onderzoeker Rob ter Horst gaat wekelijks onder de MRI-scanner en doet per dag zo’n 400 metingen aan zijn lijf. „Mijn vriendin vindt wel dat ik er te veel tijd aan besteed.”

Rob ter Horst (30) laat trots zijn grote rugtas vol tupperwarebakjes zien. De inhoud: draadjes, meetapparaatjes, een koortsthermometer. We zitten in het Nijmeegs onderzoekscentrum Donders Institute in een ruimte vol computers. Een student zit erbij om gegevens van zijn MRI-scan door te nemen. In die scanner gaat Ter Horst – bril, slordig baardje, fleurig hemd – vrijwillig elke week liggen om hersenactiviteit te meten. Hij draagt twee bandjes om zijn pols die hartslag en lichaamsbeweging meten. Aan zijn broekriem hangen drie klikkers, waaronder één die hij gebruikt om te tellen hoeveel hij op een dag drinkt.

Anderhalf jaar geleden begon hij met een experiment waardoor hij inmiddels waarschijnlijk de meest quantified self, de meest doorgemeten persoon van Nederland is. Hij doet elke dag zo’n 400 verschillende metingen bij zichzelf, sommige automatisch, sommige handmatig. Bloedmetingen, informatie uit activiteitenmeters, eens per week met elektroden op zijn hoofd slapen om slaappatronen te meten, dagelijks vier vragenlijsten invullen over hoe hij zich voelt. Elke week stuurt hij een buisje poep naar een laboratorium om de genetische samenstelling van zijn darmbacteriën te bepalen. Zijn telefoonscherm staat vol met meet-apps.

Hij is er elf uur per week mee bezig en heeft naar eigen zeggen het afgelopen jaar geen enkele belangrijke meting gemist. „Ik heb de naaldjes van de dagelijkse bloedprik om mijn glucose te meten op een prikbord geprikt. Met de naaldjes heb ik de tekst geschreven: I don’t have OCD, I don’t have OCD, I don’t have OCD.” Geen obsessieve compulsieve stoornis dus volgens hemzelf. Maar helemaal normaal is het nou ook weer niet, toch? „Ik weet niet of verslaving het juiste woord is, maar dit lijkt natuurlijk wel een beetje op een obsessie, ja.”

Ook op vakanties gaat de rugzak vol meetapparatuur mee. Als hij dronken is, meet hij braaf door. Hij is wel eens in slaap gevallen aan het bureau bij het invoeren van gegevens. „Mijn vriendin en ik begonnen precies met daten toen ik met al mijn metingen startte. Ze vindt het wel cool wat ik doe hoor. Maar ze vindt wel dat ik er te veel tijd aan besteed.”

Wat bezielt hem, en valt er al wat van zijn project te leren over de toekomst van quantified self?

„Het begon als een grappige manier om aan mijn vrienden en familie beter te kunnen uitleggen wat voor werk ik nou eigenlijk doe.” Ter Horst is immunologisch datawetenschapper bij het Radboud UMC, waar hij promotie-onderzoek doet. Hij was in het begin vooral in de weer met een fitbit en de data uit dat armbandje om patronen te ontdekken in zijn eigen gegevens. Dat werden steeds meer metingen, apps, bandjes, sensoren, hij ging vragenlijsten bijhouden over hoe hij zich voelt.

Bekende verbanden

Die hobby liep zodanig uit de hand dat nu meerdere masterstudenten betrokken zijn bij het verzamelen en analyseren van zijn data, zoals de gegevens uit de MRI-scans en de slaapmetingen. Hij mag van het Donders Institute wekelijks onder de MRI-scanner, waarmee hij hersenstructuur en -activiteit meet: hij hoopt dat eventuele schommelingen daarin ook te herleiden zijn tot zaken als eetpatronen, lichaamsbeweging en de invloed van slaap op het brein. Het Donders Institute vond zijn experiment interessant genoeg om de dure scanner beschikbaar te stellen.

Na een jaar metingen begint Ter Horst de eerste patronen in zijn gegevens te ontwaren, al wacht hij nog met het analyseren van de grote datasets om de metingen tussendoor niet oneigenlijk te beïnvloeden. In de zomer verwacht hij voldoende gegevens te hebben om er iets zinnigs over te kunnen zeggen.

„Ik zie nu al bijvoorbeeld dat als ik alcohol drink, mijn bloeddruk lager wordt en mijn lichaamstemperatuur wat daalt. En als ik een nacht minder slaap gaat mijn bloeddruk juist omhoog.” Dit zijn bekende verbanden. De student die zijn slaapscans analyiseert, valt tot nu vooral op dat Ter Horst „erg stabiel” slaapt.

Ik weet niet of ik al die metingen aan hypochonders zou aanraden

Dat zijn vooralsnog niet heel spectaculaire resultaten, afgezet tegen de tijdsinvestering. Om niet te zeggen ronduit teleurstellend. „Er zijn inderdaad nog geen grote dingen uitgekomen.” Die kunnen nog komen natuurlijk, maar het project van Ter Horst lijkt vooralsnog vooral aan te tonen dat het visioen van bedrijven als Google en Apple over de volledig gekwantificeerde mens nog behoorlijk ver weg is. Want wie gaat er nou 11 uur per week aan lichaamsmetingen besteden?

„Voor de meeste mensen zal het zeker een stap te ver zijn”, zegt Ter Horst. Hij verwacht zelf het meest van de combinatie van de objectieve meetgegevens zoals slaap, bloeddruk en lichaamsbeweging met subjectieve data als ingevulde vragenlijsten over emotie en gemoedstoestand. Uiteindelijk is zijn grote doel uit te vinden welke factoren bepalen wanneer hij gelukkiger en productiever is.

„Een aantal van de metingen die ik doe hebben echt een wetenschappelijk doel, de MRI, EEG en genetische samenstelling van mijn poepbacteriën bijvoorbeeld. We kunnen hier bevindingen mee doen die nog niet eerder mogelijk zijn geweest. Of dit mij specifiek iets over mijn leven leert waarmee ik een verandering aanbreng is natuurlijk de vraag.”

Lees ook: Hoe de metende mens de wetenschap kan helpen

Ter Horst wil binnenkort ook experimenten gaan doen: bijvoorbeeld een tijd lang om vijf uur ’s ochtends opstaan om te kijken wat voor effect dat heeft op zijn lichaam. Of om extra veel chocolade te eten om te zien wat dat doet. „Hiermee leer ik hopelijk echt iets over mijzelf.”

Het zou natuurlijk kunnen dat het uiteindelijk vrijwel niets oplevert, al die data. Maar dan nog helpt dit soort experimenten om uit te vinden wat werkt, wat niet, wat we ermee kunnen, wat er allemaal mogelijk en onmogelijk is met gegevens over het lichaam, hoopt Ter Horst.

Gewoon een nerd

En wat nou als hij iets op de verkeerde manier meet, of er een verkeerde conclusie aan verbindt? Bij preventieve bodyscans waarbij mensen bijvoorbeeld proberen in een vroeg stadium kanker op te sporen, duiken ook vaak zogeheten valse positieven op. Dan gaan er alarmbellen af vanwege een raar plekje of een afwijkende uitslag, worden veel zorgkosten gemaakt, en blijkt er vervolgens toch niet zoveel aan de hand.

„De enige keer dat ik me wat zorgen maakte was bij bepaalde bloedmetingen waarbij mijn hemoglobine dichtbij de ondergrens kwam van wat normaal was. Ik ben vegetariër, dus toen dacht ik dat ik misschien wat meer vleesvervangers moest eten. Het scheelt wel dat ik geen hypochonder ben, ik maak me niet zo snel druk. Ik weet niet of ik al die metingen aan hypochonders zou aanraden. Maar de data geven mij nu ook juist zekerheid dat ik bepaalde ziektes níét heb. Zo weet ik door de bloedtesten in elk geval zeker dat ik géén leukemie heb.”

Na een jaar is hij wel wat nuchterder geworden over de potentie van quantified self. „Ik had er hogere verwachtingen van, eerlijk gezegd. Het wordt pas echt interessant als je ook geautomatiseerd gegevens kunt verzamelen over geluk en stress. Er zijn wel bedrijven bezig om dat bijvoorbeeld af te leiden uit de pauzes tussen je hartslagen, maar dat staat nog in de kinderschoenen. Tot die tijd kost het voor veel mensen simpelweg te veel tijd om alles handmatig te verzamelen.”

Het gaat bij quantified self voor de grote technologiebedrijven ook om de patronen in grote hoeveelheden data van miljoenen, miljarden mensen, niet per se over grote bergen data over één specifiek individu. „De grote vraag bij wat deze bedrijven doen, is ook of het uiteindelijk nuttige inzichten oplevert voor consumenten zelf, of dat ze de gegevens gebruiken om advertenties beter op maat te maken van bepaalde mensen.”

Zelfs als deze intensieve metingen hem uiteindelijk niks échts leren over wat hem helpt om gezonder en gelukkiger te leven, dan heeft hij er in elk geval van geleerd dat we niet te veel van dit soort data moeten verwachten, zegt hij. „Maar wat er ook uitkomt: ik ben uiteindelijk gewoon een nerd, ik ben gefascineerd door data. Ik vind het simpelweg leuk om te doen.”

Lees ook: Meten is weten (mooi niet dus)

Hij heeft er dus nog steeds plezier in, ook al betekenen zijn uitgebreide metingen dat hij vrijwel nooit tegelijkertijd met zijn vriendin naar bed gaat. „Ik ben meestal een half uur later. Niet echt romantisch natuurlijk. Dat is ook wel iets wat haar dwarszit eigenlijk. Ik denk er ook wel over om een soort deal met haar te sluiten, dat ik af en toe een meting oversla bijvoorbeeld.”

Hij moet altijd thuis slapen, óf een rugtas vol meetapparatuur meezeulen. „Ik kan me wel voorstellen dat dit op een gegeven moment een normaal leven in de weg zit.” Ter Horst wil waarschijnlijk eind 2019 met de meeste metingen ophouden. „Ik zal er toch een keer mee moeten stoppen.”