Fraudeverdachte krijgt geen verklaring van ‘goed gedrag’

Deze rubriek belicht kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: fiscaal recht.

Hij is in juli 2017 in de race voor een leidinggevende functie bij Deloitte en dus vraagt hij een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan. Die weigert de minister van Rechtsbescherming af te geven: de man komt binnen de ‘terugkijktermijn’ van vier jaar voor in het Justitieel Documentatie Systeem (objectief criterium). In 2016 is dat JDS de verdenking geregistreerd van drie belastingfraudezaken in de periode 2008-2012. De minister zou het belang van de VOG-aanvrager zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van de samenleving (subjectief criterium), maar vindt de tijd sinds de JDS-registratie te kort om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Bij de rechtbank blijft het besluit geen VOG af te geven overeind.

De man gaat in hoger beroep bij de Raad van State. Volgens hem had de minister niet moeten uitgaan van de JDS-inschrijvingsdatum maar van de pleegdatum, vier jaar eerder. Immers, de inschrijving in het JDS „is een willekeurig moment”, en het OM had zijn zaak twee jaar „op de plank” laten liggen. Daarmee had rekening gehouden moeten worden.

De Raad van State oordeelt dat de minister het subjectieve criterium „te strikt” heeft toegepast door alleen te kijken naar de JDS-inschrijvingsdatum, en verklaart het beroep op dit punt gegrond. Máár de Raad van State gaat mee met het standpunt van de minister dat de afweging toch niet in het voordeel van de man uitvalt als wordt uitgegaan van de pleegdatum. Het gaat om drie verdenkingen van fraude, geenszins lichte vergrijpen, en de „aard van de strafbare feiten” is „niet verenigbaar met de beoogde functie”. De man krijgt geen VOG.

Uitspraak: ECLI:NL:RVS:2019:1025