‘Molukse wijk is alleen voor Molukkers’

Molukkers Al bijna 70 jaar zijn Molukkers onderdeel van de samenleving. Soms gaat dat stroef. Molukkers vertellen waarom er bijvoorbeeld nog eigen wijken nodig zijn.

Nus (1949) en Christina (1946) Sahureka, uit Westkapelle.
Nus (1949) en Christina (1946) Sahureka, uit Westkapelle. Foto John van Hamond

Deze donderdag vieren Molukkers in theater Orpheus het uitroepen van de Republik Maluku Selatan (RMS) op 25 april 1950 in de Indonesische archipel. Dit jaar kwam de rechter eraan te pas, omdat het Apeldoornse theater het evenement aanvankelijk had geweigerd. Volgens Orpheus was de beveiliging door de organiserende stichting Perjuangan Republik Maluku Selatan niet op orde. De rechter oordeelde vorige week dat de herdenking voor deze keer echter doorgang zal moeten vinden.

Lees ook: Molukkers in Maastrichtse wijk blijven graag onder elkaar

Het voorval is het jongste voorbeeld van de wrijving die vaker optreedt als het gaat over de RMS en over Molukkers. Kort geleden nog was er ook opschudding in de Maastrichtse buurt Heer. Toen een woning in deze Molukse woonwijk werd toegewezen aan een gezin van buiten werd het huis beklad. Boodschap: deze wijk was Moluks en de huizen waren alleen bedoeld voor Molukkers.

Er volgde veel onbegrip op sociale media. Was dat een uiting van afnemende kennis van de recente geschiedenis van Nederland en de Molukse gemeenschap? Bekend is dat Molukse jongeren in de jaren zeventig verantwoordelijk waren voor gijzelingen en treinkapingen. Maar zijn de achtergronden daarvan nog wel bekend? Dat de Molukkers als militairen van het koloniale Koninklijk Nederlands-Indisch Leger in 1951, na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië van 1949, tijdelijk naar Nederland werden overbracht. Maar tijdelijk werd permanent. De circa 12.500 mannen, vrouwen en kinderen werden ondergebracht onder slechte omstandigheden. Velen in de voormalige concentratiekampen in Vught en Westerbork. De mannen werden uit dienst ontslagen en mochten in afwachting van terugkeer aanvankelijk niet werken. Allen werden als stateloze burgers op afstand van de samenleving gehouden. Pas in het begin van de jaren zestig begon de aanleg van woonwijken. Speciaal voor Molukkers. Veel van hen houden daar, om principiële redenen, nog steeds aan vast.

Nus (1949) en Christina (1946) Sahureka, Westkapelle

‘Er was geen eten meer’

Foto John van Hamond

We zijn als kinderen, net als onze ouders, altijd slecht behandeld door de Nederlandse staat. Dat heeft veel kwaad bloed gezet. Het ergste was wel wat er gebeurde toen we in Zeeland woonden in het Kamp Westkapelle. Ik heb destijds met mijn eigen ogen gezien hoe de politie op onze mannen schoot. Het was in 1956 en ik was acht jaar oud. We woonden in stenen barakken. Twee barakken tegenover elkaar. In de derde barak zat de kerk en de kantine. In een vierde was de centrale keuken en een kolenhok. En er was een Nederlandse kampbeheerder, die woonde bij de slagboom. We konden als kinderen vrij in en uit het kamp. Tot het niet meer mocht.

Dit is wat ik zag. Een vader en een zoon uit een ander kamp waren op bezoek geweest per fiets en wilden weer naar huis. Maar er waren politieagenten die dat verboden. Ik zag dat ze met de kolf van het geweer van de fiets geslagen werden. Het kamp was intussen helemaal omsingeld door de politie. Bij de poort stond zelfs de burgemeester.

Later zag ik dat de politie schoot met scherp, en dat negen ooms gewond raakten. Alle mannen van de eerste generatie noemden wij als kinderen ooms. Achteraf bleek dat iemand zelfs zijn oog was kwijtgeraakt. Ik stond vlakbij en zag hoe een oom, die gewond was, probeerde weg te kruipen achter het kantoortje van de kampbeheerder, maar er werd nog steeds op hem geschoten.

De aanleiding was dat de mannen die dag, zoals we het noemden, proletarische inkopen hadden gedaan. Dat betekent dat zij gingen winkelen in het dorp en tegen de winkeliers zeiden: ‘Stuur de rekening maar naar de regering in Den Haag. Die betaalt wel.’ De mannen kwamen in actie omdat de regering besloten had dat de Molukkers voortaan voor zichzelf moesten zorgen.

Dat wil zeggen: ze mochten tot die tijd in afwachting van terugkeer naar de Molukken niet werken en kregen voedsel en zakgeld van de staat. Eerst twee gulden, later drie gulden per week. Maar nu moesten ze ineens hun eigen kost gaan verdienen. Dat betekende ook dat de gaarkeuken op slot ging. Er was dus geen eten meer, en we moesten toch ergens aan eten komen. Maar de mannen in ons kamp wezen dat af, want zij wilden de regering aan de belofte houden dat we terug zouden keren naar de Molukken. Als ze zouden meewerken vreesden ze dat die terugkeer er niet meer van kwam. Dus het was een principekwestie.

De staat trad keihard op. De mannen werden negen maanden opgesloten. En wij zaten met onze moeders opgesloten in het kamp. Ik moest ’s nachts eruit glippen om voedsel bedelen. Gelukkig waren de dorpelingen heel gul, ze schaamden zich voor de manier waarop we zijn behandeld.

Later vertelde ik op school bij een spreekbeurt over hoe ik had leren bedelen in Nederland. Maar niemand geloofde het. In ons geschiedenisboek stond een foto van een SS’er met een Joods jongetje en ik dacht: dat jongetje was ik.

Pieter Jacob Beffers (1947), Vught

‘Last van flashbacks’

Foto John van Hamond

Ik kwam als kind van vier in 1951 met mijn ouders in kamp Lunetten in Vught terecht. Dat was niet vanzelfsprekend, want omdat we een Nederlandse overgrootvader hebben, hadden we de Europese status. Maar mijn moeder vond dat we gewoon bij onze eigen mensen in de tangsi, in het kamp, moesten wonen. En daar heb ik dan ook 26 jaar gewoond, ook met mijn vrouw. Ik ben getrouwd met een Nederlandse. Terwijl ik vroeger altijd zó’n hekel had aan die belandas, die Hollanders, dat ik ze wel wat kon doen. Haha!

Uiteindelijk heb ik veertig jaar op het laboratorium bij wegenbouwer Heijmans gewerkt, en dat was een tof bedrijf. Toen ik daar wegging hingen ze speciaal voor mij de RMS-vlag uit. En hoewel ik daar niet zoveel mee bezig was, schiet je toch vol op zo’n moment. Ik vond het schitterend. Maar goed, ik ben nu een aantal jaren met pensioen en dan ga je toch terugkijken. En ik zie dat veel van de mensen van mijn generatie van het kamp óf al dood zijn óf gezondheidsklachten hebben. Ik heb het idee dat dat bovennormaal veel is.

Kamp Lunetten was in de oorlog een Joods concentratiekamp. Het was een van de drie grote kampen waar de zogeheten KNIL-Ambonezen in 1951 werden ondergebracht. En toen ik klein was, stonden de wachttorens en de prikkeldraadomheining er nog steeds.

Achteraf heb ik het idee dat er daarom ook een, eh, aparte sfeer heerste. Onder een van de barakken lagen beenderen, waar we als kinderen gewoon mee speelden. Daar denk ik dan ook aan: wat waren dat voor beenderen?

Ik krijg ook allemaal flashbacks van die tijd. Van mijn broertje Chrisje, die als baby is overleden. Dat gebeurde bijna in elke familie, dat er kinderen doodgingen. Op de begraafplaats was een hele hoek voor Molukse kinderen. Die barakken waren ijskoud in de winters. Moeders kregen geen goede voorlichting over hoe ze hun kinderen warm moesten houden.

Ik krijg ook flashbacks van een groot conflict dat losbarstte met de mensen van het eiland Kei. Ik zat met grote ogen te kijken terwijl er ooms met grote kapmessen rondliepen. Tot de politie en het leger plotseling in het kamp stonden en de orde herstelden. Het was heftig.

Zelf liep ik op elfjarige leeftijd acute reuma op, door een verwaarloosde keelontsteking. Was ik tijdelijk halfzijdig verlamd. Later werd ik afgekeurd voor militaire dienst omdat mijn rechterhartklep zoveel schade bleek te hebben dat ik een hartoperatie nodig had. Nu heb ik sinds kort last van mijn andere hartklep, maar dat kan niet worden geopereerd.

Ach, je kijkt terug, en je ziet hoe het leven nu is. Met iedereen zijn eigen gezin, zijn kinderen en kleinkinderen. Het is anders geworden. Dan mis je soms toch ook dat enorme gevoel van eenheid. Dat thuisgevoel als je onder elkaar bent, dat is toch typisch Moluks.

Abraham Nanuru (1952), Vaassen

‘Het was mensonterend’

Foto John van Hamond

Van het leven in het woonoord Vaassen heb ik eigenlijk minder meegekregen dan anderen. Want mijn moeder zei altijd: ‘Wij zitten in een kamp maar dáár is de maatschappij. Als je daar wil slagen, moet je daar naar school. Jullie gaan dus niet naar de kampschool waar je alleen maar Maleis spreekt, maar naar de school in het dorp.’

Toen kwamen de kampraad, de dokter en dominee langs, om mijn moeder op andere gedachten te brengen. Maar dat lukte niet. Gevolg was dat we werden uitgemaakt voor landverraders omdat we uit de groep gingen. Dat was wel zwaar.

Vaassen was het eerste kamp dat echt gebouwd was voor Molukkers. Maar op een zeker moment was er nieuw beleid dat de woonoorden vervangen werden door Molukse wijken. Mijn vader wilde net als iedereen nog steeds terug naar de Molukken. De koffers stonden nog steeds klaar. Maar hij was ook voor die woonwijk en zat in de kampraad om die overgang te maken. En dat was weer moeilijk omdat er een groep mensen was die zich om principiële redenen bleef verzetten. Uiteindelijk zat een deel van de bewoners, onder wie mijn ouders, in gewone huizen, maar de anderen woonden nog in barakken. Het huis waarin ik nu woon was nog barak.

Toen besloot de rechter dat die mensen uit hun barak gezet mochten worden. Het was 1976, en ik was 24. Zat in het grafische vak en woonde bij mijn ouders op zolder in een huis hier aan de overkant. Op een zekere dag in oktober of november werd ik wakker door geluid van pantserwagens. Het was vijf uur in de ochtend. Het was complete oorlog. Ik zag die pantserwagens binnenkomen. Het was mensonterend. De mensen werden gesommeerd hun barak te verlaten. Er waren massa’s ME. Daar werd een stevig partijtje mee gevochten. Maar telkens als mensen uit hun huis waren, werd dat platgereden door de tanks. Met al hun spullen er nog in. Iedereen huilde, iedereen was woedend. Er werd geschoten toen ik weigerde mijn dakraam dicht te doen.

Toen ben ik zelf ook naar buiten gerend, tegen de wil van mijn vader, om tegen de ME te vechten. Ja, echt, dat was een diep gevoel. Maar goed, nu hebben we hier nog steeds mensen die met een trauma rondlopen. Er is ook nog altijd een diep wantrouwen tegen de staat. Punt is: dit is nooit uitgepraat. Er zijn nooit excuses gemaakt door de autoriteiten.

Bij mijzelf kwam op een zeker moment een ommekeer. Ik was teleurgesteld in alles. En ik dacht: hoe kan ik onze mensen beter helpen? Ik werd dominee, ook omdat ik besefte dat ondanks alles wat er in hun levens gebeurd was, de generatie van mijn ouders het geloof heeft behouden. Ik word daar altijd emotioneel van. Ze hielden het geloof dat het goed zou komen, ze hadden niks, voedden negen kinderen op. Door de vasthoudendheid van mijn moeder mag ik dit nu doen. Onze mensen blijven inspireren. Wat er ook gebeurt, blijf vertrouwen op onze Heer.

Sammy de Lima (1964), Hoogeveen

‘We voelen ons genaaid’

Foto John van Hamond

Voor ons is de Molukse wijk voor Molukkers. Begin jaren zestig heeft de Nederlandse regering gemeenten geld gegeven voor de Molukse gemeenschap. En daarom denken we, die wijken zijn gebouwd voor Molukkers en daarom willen we het ook zo houden. Sommigen vinden dat een raar idee. Maar eigenlijk is dat makkelijk zat, want wij leven hier in harmonie in de wijk. Met onze eigen achtergrond, normen en waarden.

We zorgen goed voor onze eigen buurt. Hier worden geen dingen gesloopt. Dat houden we zelf in de gaten. Als ik een kind iets kapot zie maken, dat pak ik hem bij zijn oren en zeg ik: ‘Wat moet dat? Opdonderen!’ En als ze er thuis iets van zeggen, krijgen ze daar nog een keer op hun donder. Maar stel je voor, er woont hier een Nederlandse gezin en ik zou Jantje bij de oren pakken als hij iets sloopt. Ik weet zeker dat dan vader Piet en moeder Miep meteen verhaal komen halen: wie geeft jou het recht om dat te doen? Zo kunnen wij niet leven, want we letten op elkaar. En we zorgen voor elkaar.

Dat bleek dus ook in 2014 toen er hier onrust was. Toen heeft de woningbouwcorporatie een huis in onze wijk toegewezen aan een Nederlands gezin. Voor verhuur. Maar wij waren het er niet mee eens. Actievoerders hadden het huis beklad. Maar naar mijn idee op een nette manier. Zonder anderen uit te schelden, maar gewoon de tekst ‘Molukse wijk is alleen voor Molukkers’. We hebben hier een bewonerscommissie, ons stichtingsbestuur van het buurthuis en de kerk. En als je zoiets wil doen, moet je dat bespreken. Want je moet weten waar je aan begint. Maar ze hebben het zomaar gedaan.

Goed, uiteindelijk heeft de burgemeester een nieuw contract ondertekend dat de Molukse wijk voor de Molukkers is.

Kijk, de Nederlandse regering heeft gewoon de KNIL-Ambonezen te veel beloofd. En als ze zeggen dat dit een woonwijk is voor KNIL-Ambonezen, dan willen we het ook zo behouden. Eenmaal gegeven, blijft gegeven.

We zijn niet goed behandeld en daar is veel frustratie en pijn over. Het is een hele lijst. De belofte dat we terug zouden gaan naar onze eigen eilanden. Dat onze vaders plotseling werden ontslagen bij aankomst. En dat ze stateloze burgers waren. Bovendien mochten ze eerst niet werken en ook niet vrij in en uit de kampen. Dat gaat zo door. Dus voelden we ons genaaid door de regering.

Ik kom uit Ambon, uit het dorp Waai. Dat draag ik in mijn hart. Daar zou ik ooit naartoe terug willen. Zelfs mijn Nederlandse vrouw wil erheen. Daarvan krijg ik toch een brok in de keel. De RMS is nog steeds belangrijk, want dat was de belofte, dat we een eigen staat krijgen.

Hier in de wijk hebben we het op zich goed. We zijn één. Ook als we op 25 april met de verjaardag van de RMS de vlag hijsen, gezellig met elkaar. Dit is mijn wijk. Hier wil ik doodgaan. Maakt niet uit.