Opinie

De overheid als belegger is een wankel idee

Investeringsfondsen

Commentaar

Er is nauwelijks zicht op de bestedingen van investeringsfondsen van de overheid, en het is onduidelijk of ze hun doelstellingen halen. Dat concludeert de Algemene Rekenkamer in een recent verschenen rapport over publieke investeringsfondsen. De conclusie is alarmerend, want er blijkt steeds meer geld gemoeid met deze overheidsactiviteit.

De fondsen hebben veelal een ‘revolverend’ karakter. Zij zijn niet eenmalig, maar steken de opbrengst van hun investeringen steeds in nieuwe projecten.

Er zijn volgens de Rekenkamer al minstens dertig van dit soort fondsen, met een gezamenlijk vermogen van 3,6 miljard euro. Op provinciaal niveau is er een kluwen van fondsen, met in totaal ten minste 1,5 miljard euro. En dit jaar is er de oprichting van Invest-NL, met een vermogen van 2,5 miljard euro betiteld als een ‘nationale investeringsbank’. Dat maakt, opgeteld, al 7,6 miljard.

Het is een reflex dat, na een grote crisis, de overheid een taak voor zichzelf ziet als investeerder. Vlak na de oorlog werd een herstelbank opgericht, die in 1971 werd omgedoopt tot Nationale Investeringsbank (NIB). Die veranderde in de loop van de tijd in een commerciële bank met een beursnotering, NIB Capital. Er mag overigens van geluk gesproken worden dat een overname door de IJslandse bank Kaupthing, een jaar voor de kredietcrisis, niet doorging.

In 1982, vlak na de zwaarste recessie sinds de oorlog, zag de Maatschappij voor Industriële Projecten het levenslicht. Het restant daarvan ging, na vele omzwervingen, op in de reusachtige Amerikaanse Carlyle Group, een zogenoemde private equity-investeerder.

Dat er nu, vooral sinds de kredietcrisis, wederom nieuwe overheidsfondsen zijn ontstaan, met Invest-NL als hoogtepunt, is dus geen toeval. De overheid ziet ‘marktfalen’ bij de financiering van bedrijvigheid en wil in dat gat springen. Maar daar zit logischerwijs een traagheid in. Zodat het risico bestaat dat dit soort fondsen pas op de markt komt als er al lang geen gebrek aan geld meer is.

Inderdaad: wereldwijd hebben bijvoorbeeld alleen al private-equityfondsen volgens de Financial Times op dit moment meer geld dan ze kwijt kunnen, en zitten op 2.000 miljard dollar aan ongebruikte inleg door beleggers – waaronder ook pensioenfondsen.

Nu gaat het gelukkig bij de huidige overheidsbeleggingen niet meer om het overeind houden van industrie waar geen plek meer voor is. De steun aan scheepswerf Rijn-Schelde-Verolme (RSV) leidde ruim een kwart eeuw geleden tot een van de grootste na-oorlogse politieke schandalen tot dan toe. De roep om Fokker overeind te houden (opnieuw na een recessie, begin jaren negentig) werd nauwelijks beantwoord. Terecht: vier jaar later begon, gedreven door internet, de grootste economische bloei in tijden.

En nu? Een evaluatie van regionale ontwikkelingsmaatschappijen laat zien dat zij hun geld voornamelijk steken in de lokale high-tech industrie. Dat klinkt beter, maar is daar echt geen markt? Of zijn dit middelen op zoek naar een doel?

Van de nieuwe fondsen wordt rendement verwacht, en dat lijkt tegenstrijdig met de veronderstelling dat er geen andere geïnteresseerde financiële partijen zijn. Dat geldt ook voor de eis dat de fondsen ‘marktconform’ moeten opereren omdat er anders sprake is van staatssteun. De conclusie van de Rekenkamer dat er inzicht, overzicht en coördinatie moet zijn, is terecht. Daar had best aan mogen worden toegevoegd: zeer grote terughoudendheid. .