Bas Wiegers

Foto Eduardus Lee

Bas Wiegers: ‘Een goede dirigent laat de muziek stromen’

Première Zijn carrière zit in de lift. In september werd Bas Wiegers benoemd tot Eerste Gastdirigent bij Klangforum Wien. Donderdag dirigeert hij Aperghis’ Die Hamletmaschine. „Ik ben een veelvraat.”

Eigenlijk is hij niet zo’n bedevaartganger, maar afgelopen februari toog hij dan toch naar Mahlers ‘Komponierhäuschen’ aan de Wörthersee in Oostenrijk. Het scheelde niet veel of hij was van het spekglad besneeuwde bergpad naar beneden gelazerd. Eenmaal oog in oog met het rood geluikte hutje had het toch wel wat. „Ik was helemaal alleen op die prachtige plek, dus ik had alle tijd om me voor te stellen hoe Mahler hier iedere ochtend omhoog liep om te componeren.”

Dirigent Bas Wiegers (1974) verblijft op het moment van dit interview in Klagenfurt, een stad aan de Wörthersee. Met het Kärntner Sinfonieorchester werkt hij daar aan de stevig gereviseerde opera Koma (2016) van de Oostenrijkse componist Georg Friedrich Haas. Tot medio mei is de voorstelling te zien in het plaatselijke Stadttheater.

Wiegers’ carrière zit wat je noemt in de lift. Afgelopen september werd hij benoemd tot Eerste Gastdirigent bij Klangforum Wien, een van de absolute topensembles in de internationale eredivisie van de moderne muziek. Eigenlijk was het liefde op het eerste gezicht, vertelt hij via Skype: „Op de een of andere manier voelen we elkaar perfect aan. Het is bijna iets sensueels. Ik geef iets aan en de musici reageren op een manier waardoor één en één drie wordt.”

„Dirigeren past perfect bij mijn rommelrugzak vol halftalentjes”

Scoop: volgend seizoen maakt hij zijn debuut bij de gerenommeerde Staatsoper in Stuttgart met Benjamin Brittens Death in Venice. In Klagenfurt zal hij terugkeren met een gloednieuwe opera van de Italiaan Salvatore Sciarrino. Wie Wiegers ondertussen in Nederland wil zien, moet z’n momenten uitkiezen. Vanavond bijvoorbeeld, als hij bij Asko|Schönberg de Nederlandse première van Georges Aperghis’ Die Hamletmaschine dirigeert.

Cultureel klimaat

„Klassieke muziek heeft hier gewoon een hoger aanzien. Het leeft meer.” Zo verklaart Wiegers zijn drukke agenda in het Duitse taalgebied. Neem Klagenfurt, een stad vergelijkbaar met Deventer of Zwolle, maar dan wel met een eigen operahuis en symfonieorkest. „Je merkt duidelijk dat hier een muzikale basiskennis bestaat die bij ons aan het verdwijnen is. Vrijwel iedereen is opgevoed met muziek, waardoor het discours geïnformeerder is. Je hoeft hier echt niet uit te leggen wat atonaliteit betekent.”

En ja, dat straalt af op de muzikale praktijk. „De randvoorwaarden om tot een topprestatie te komen zijn gewoon beter. Er is meer ruimte, meer tijd, meer budget. Als je op verschillende plekken in de wereld werkt, merk je heel duidelijk hoe de situatie in Nederland achteruit holt. Dat vind ik niet alleen, ik hoor het ook van collega’s.”

Een jaar of vijftien terug lagen de kaarten anders, aldus Wiegers. Als violist maakte hij, voor de ingrijpende cultuurbezuinigingen van het kabinet-Rutte I, nog de bloeitijd van de Nederlandse ensemblecultuur mee. Hij had een aanstelling bij het Asko Ensemble, trad als gast op met het Schönberg Ensemble en het Ives Ensemble en speelde oude muziek bij het orkest van de Nederlandse Bachvereniging. Het waren prachtige, leerzame jaren. Al groeide bij Wiegers het besef dat de viool te klein voor hem werd: „Ik wilde meer aan m’n hoofd hebben.” Kort na zijn eindexamen aan het Conservatorium van Amsterdam besloot hij zijn lessen orkestdirectie in de praktijk te brengen. Aanvankelijk bij het Ricciotti Ensemble, waar hij vijf jaar lang „van alles en nog wat” deed. Klassiek, pop, wereldmuziek, het liefst op locatie. Zijn eerste concerten met modern repertoire dirigeerde hij bij het Nieuw Ensemble.

Tot zijn eigen verbazing klopte in 2009 het toenmalige Holland Symfonia bij hem aan: of hij een symfonisch programma met muziek van Harry Bannink wilde dirigeren: „Doodsbang was ik, maar blijkbaar heb ik het toch niet helemaal verprutst want ik bleef zulke kansen krijgen.”

Bas Wiegers Foto Eduardus Lee

Mariss Jansons

Eigenlijk wilde Wiegers al dirigent worden toen hij een jaar of twaalf was. Hij had Leonard Bernstein op televisie een Beethoven-symfonie zien uitleggen en wist meteen: „Dat wil ik ook kunnen.” Wiegers: „Ik werd gegrepen door zijn heldere manier van communiceren, en al had ik geen flauw benul van wat een dirigent precies doet, ik voelde wel aan dat je van meerdere markten thuis moet zijn.” Lachend: „Dat sprak me als viool spelende klassenvertegenwoordiger met politieke ambities, een redelijke talenknobbel en vage plannen voor een filosofiestudie wel aan.”

Dirigeren bleek inderdaad een veelzijdig vak, waarin goede oren en een gedegen slagtechniek hand in hand gaan met een scherp analytisch inzicht en grondige partituurkennis. „Daarom vind ik mijn vak ook zo leuk. Het past perfect bij mijn rommelrugzak vol halftalentjes.”

Bovendien moet een dirigent communicatief sterk zijn, goed met mensen om kunnen gaan, en een meer dan gemiddelde psychologische antenne hebben: „Uiteindelijk gaat het om sociale processen, om groepsdynamiek. Je moet snel kunnen aanvoelen hoe een groep functioneert en wil werken. Het Concertgebouworkest is een totaal ander beest dan het Rotterdams Philharmonisch. Daar moet je je naar weten te voegen, terwijl je toch sterk in je schoenen blijft staan.”

Iemand van wie hij veel leerde was Mariss Jansons. Wiegers assisteerde de voormalige chef van het Concertgebouworkest in 2011 bij een uitvoering van Edgard Varèses Amériques. „De totaal efficiënte manier waarop hij werkte was een openbaring voor me. Vooral wat hij allemaal liet gaan. Ik bedoel, ik hoorde tijdens de eerste repetitie toch duidelijk dat er van alles rammelde. Een scheve inzet hier, een foute noot daar. Werd niet over gesproken. Jansons verwachtte gewoon dat de musici dat zelf wel zouden oplossen. Vervolgens wist hij er dan wel vier cruciale dingen uit te pikken die afstraalden op het hele stuk. Dat bereik je alleen met een fenomenale klankvoorstelling.”

Een andere belangrijke mentor was Reinbert de Leeuw. „Ik heb ongelooflijk veel van hem geleerd toen ik nog bij het Asko Ensemble speelde. Zijn onvoorwaardelijke muzikaliteit. Het gevoel van urgentie dat hij altijd wist over te brengen. Dat zal me altijd bijblijven. Oliver Knussen werkte heel anders. Hij rafelde een stuk helemaal uit, om het dan stem voor stem opnieuw in elkaar te zetten. Die ontzettende precisie vond ik ook erg inspirerend.”

Geleider

„Ik zag laatst Haitink aan het werk. Ongelooflijk om te zien hoe hij steeds minder aangeeft, terwijl het resultaat steeds mooier klinkt.” Die paradox raakt aan de kern van het vak, zegt Wiegers. „In het Engels heet een dirigent een conductor. Geen leider, maar een geleider, zoals in de fysica. Dat is precies het juiste woord voor wat we doen. We geleiden de energieën van de musici. Als je het goed doet, probeer je niet nadrukkelijk te controleren of te sturen, je moet de muziek laten stromen.” Zo’n flow bereik je alleen dankzij een minutieuze voorbereiding. „Een paar maanden geleden speelden we met Klangforum een krankzinnig moeilijk stuk van de Duiste componist Enno Poppe. Allemaal kwarttonen, om de zoveel maten een tempo-overgang, echt heel lastig. Maar iedereen kende de muziek als z’n broekzak en was op een heel relaxte manier totaal geconcentreerd. Het concert ging vanzelf. Het ensemble voelde als een draaiende tol die ik soms alleen nog maar een klein zwiepje hoefde te geven. Zalig.”

Poppe, Haas, Sciarrino, Aperghis. Ziet Wiegers zichzelf als een specialist in modern repertoire? Resoluut: „Nee, ik ben een veelvraat. Naast Klangforum of Asko|Schönberg dirigeer ik even graag Cosí fan tutte bij de Dutch National Opera Academy of de Bolero bij de Philharmonie Zuidnederland.”

Diversiteit hoort bij deze tijd, zegt Wiegers. „Na een concert met experimentele muziek kan ik op weg naar huis Franse chansons of salsa op hebben staan. Waarom zou ik in mijn vak oogkleppen opzetten en me tot een niche beperken?

„Begrijp me goed: ik vind niet dat iedereen alles maar moet kunnen. Ik weet echt wel dat Vince Mendoza van het Metropole Orkest een betere jazzmusicus is dan ik. Maar dat wil niet zeggen dat ik nooit zoiets zou proberen. Ik vind dat er in de muziekwereld te sterk in gesloten scenes wordt gedacht, waardoor dingen op voorhand worden afgeserveerd. Dat is veilig, maar je mist veel van wat muziek nog meer zou kunnen zijn. Dát wil ik overbrengen.”

Mailen met Schubert

Binnen die diversiteit legt Wiegers niettemin een grote aandacht voor hedendaags repertoire aan de dag. „Ik vind dat eigenlijk niet meer dan logisch. Ik zou het volstrekt onzinnig vinden om kunstenaartje te spelen en vervolgens niets te doen met de muziek die onze tijd verklankt. Ik wil met beide benen in de wereld van nu staan. Je stuurt toch ook geen mensen naar de Rietveld Academie om ze als Rembrandt te laten schilderen?”

Er is een verschil tussen het dirigeren van oude en nieuwe muziek, zegt Wiegers. „Bij de klassieke repertoirestukken heb je te maken met conventies en luisterpatronen. Mensen weten: ‘Oh, maar Gergiev deed dat zus en Abbado zo.’ Bij nieuwe muziek ligt dat allemaal nog open. Als ik een première dirigeer, creëer ik mijn eigen context. Er is niemand die zegt: ‘Eh, Bas, dat moet eigenlijk zo.’ Ik vind dat een heel spannende en bevrijdende manier van werken.”

En toch: „In de kern gaat het erom om uit te zoeken wat de componist met die noten heeft bedoeld. De Hongaarse dirigent Peter Eötvös zegt dat ergens mooi: ‘Je moet niet spelen wat er staat, je moet het begrijpen.’ Levende componisten kunnen een dirigent daar natuurlijk bij helpen. Maar met dode componisten voer ik feitelijk dezelfde dialoog. Ik heb wel eens een imaginaire e-mail gestuurd aan Schubert: ‘Zeg luister eens, Franz, wat bedoel je nu eigenlijk met dat accent op die plek? Waarom wel híér en niet dáár, terwijl het toch potverdikkie hetzelfde materiaal is?’ Daar kan ik echt van wakker liggen, ja.”