Opinie

Alpaca's

Ellen Deckwitz

Dit weekend vierde ik met mijn familie Pasen en dus vond mijn neefje van dertien het nodig om te beginnen aan de puberteit. Niets was meer leuk, het antwoord op alles nee, de paasbrunch, waar mijn moeder uren op had gezwoegd, ‘niet te harden’. De volwassenen ondergingen het gelaten, we wisten immers uit eigen ervaring hoe vreselijk die tienerjaren waren. Het brein veranderde, ongebruikte gangen werden opgeheven, er kwamen lades en archiefkasten bij, deuren sloten, ramen openden. En zoals iedere verbouwing resulteerde het voor de bewoner in kwestie in een onuitstaanbaar humeur.

Na de brunch gingen we een stukje wandelen, maar niets kon de goedkeuring van mijn neefje wegdragen. Alles waar we deze Eerste Paasdag langs liepen werd van uitgebreid en vooral ongevraagd commentaar voorzien: de bomen waren te kaal, de beekjes klaterden te hard en een stel dat dezelfde trui droeg werd nog 500 meter na passeren belachelijk gemaakt.

Op een zeker moment kwamen we langs het openluchttheater waar die avond een passiespel zou worden opgevoerd. In het weitje ernaast stonden de deelnemende dieren te grazen: ezels, geiten, schapen, want bij een christelijk feest horen nu eenmaal figuranten op hoeven. Een lieve mevrouw zag mijn neefjes kijken.

„Kijk,” zei ze, wijzend naar een dier dat op een geföhnde lama leek, “mijn alpaca doet ook mee, hij heet Bennie.”

„EEN ALPACA?” ontplofte mijn neefje toen hij Bennie zag, “alpaca’s had je helemaal niet in Israël in de eerste eeuw na Christus!”

„Tíjdens Christus,” mompelde mijn zus.

„Je hebt hem alleen maar gecast omdat het jóuw alpaca is! Dit is gewoon vriendjespolitiek!”

We sleepten mijn neefje mee naar een terrasje, een verbouwereerde mevrouw en Bennie achterlatend. De drankjes werden gebracht.

„Geniet ervan”, zei de ober. Bij die mededeling liep mijn neefje alweer paars aan.

„Alles moet tegenwoordig maar genieten zijn,” begon hij, „terwijl je het daardoor meteen verpest, want wie kan er nou genieten als iedereen dat van je verwacht?!”

„Laten we dan,” barstte mijn vader (82) opeens uit, „vandaag maar eens doen alsof we moeten bálen. Daar heb jij ons het afgelopen uur immers al een masterclass in gegeven.” Neefje meteen stil.

„He bah, de zon,” zei mijn moeder na een tijdje. „Yuck, cola met ijs erin,” zei mijn zus. „Bleh, alpaca’s,” zei ik.

Langzaam ontspande mijn neefje. Als je moét balen, valt alles mee. Hij doezelde in de warmte, moest uitgeput zijn van het constante haten. Even hoorde je zijn hoofd niet meer kraken. Zijn geest was tijdelijk gestopt met ruimte maken om nog veel meer dingen stom te vinden. Het resulteerde in een kind, dat te uitgeput was om zich nog langer te verzetten tegen de zon.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.