Opinie

Niemand is gebaat bij een Nederlands no-deal pensioenscenario

Pensioenen

Commentaar

Ook Nederland heeft zijn no-deal scenario. Het heet pensioenstelsel en raakt miljoenen mensen. Ondanks de relatief gunstige economische conjunctuur staan de pensioenen onder druk, zo werd donderdag opnieuw bevestigd nadat de vier grootste pensioenfondsen van het land hun kwartaalberichten hadden gepubliceerd. Van het aanpassen van de pensioenen aan de kosten van het levensonderhoud blijft voorlopig geen sprake. Eerder moet al voor volgend jaar rekening worden gehouden met verlaging van de uitkeringen, aldus de waarschuwing van de pensioenfondsen in de metaalsector.

Onzekerheid over de financiële toekomst wordt in onderzoeken telkens genoemd als een belangrijke oorzaak voor het ongenoegen van de zogeheten ‘boze burger’ die nu al jaren het politieke debat in belangrijke mate domineert. Ondertussen gebeurt er weinig op dat vlak.

De discussie over hervorming van de ooit in internationaal perspectief zeer gunstige Nederlandse oudedagsvoorziening loopt al meer dan tien jaar, maar nog altijd is er geen overeenstemming over een systeem dat houdbaarheid op lange termijn garandeert. De kwetsbaarheden van het stelsel kwamen aan het licht na de financiële crisis van 2008.

Inmiddels is de wettelijke dekkingsgraad bij de pensioenfondsen dermate geslonken dat het uitblijven van een akkoord - een no deal dus – ertoe zal leiden dat gepensioneerden daadwerkelijk gaan inleveren. Met een bevolking waarvan inmiddels meer dan drie miljoen mensen ouder dan 65 jaar is, een aantal dat jaarlijks toeneemt, is dit niet anders dan een politieke tijdbom.

Het is dan ook hoog tijd dat aan de slepende pensioendiscussie een eind wordt gemaakt. Aan het kabinet zal dit overigens niet liggen. Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) toonde zich in februari in een brief aan de Tweede Kamer vastbesloten zelf stappen te gaan ondernemen. Dat deed hij nadat eind vorig jarig het zoveelste overleg tussen kabinet en de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers door toedoen van de vakbeweging was mislukt. De partijen zaten zeer dichtbij een akkoord maar het uitblijven van een definitieve regeling over de hoogte van de pensioenleeftijd bleek voor de bonden een onoverkomelijk bezwaar.

Het probleem voor Koolmees is dat hij zelf wel veel kan willen, maar ook de sociale partners nodig heeft. Aanvullend pensioen is bij uitstek een zaak van werkgevers en werknemers. Afspraken hierover worden gemaakt in de cao’s. Als hij, om de betaalbaarheid op lange termijn te garanderen, iets aan de structuur van het pensioenstelsel wil veranderen, kan hij dit niet doen zonder de organisaties van werkgevers en werknemers.

Daarnaast hebben Koolmees en het kabinet voor het invoeren van wettelijke maatregelen politieke rugdekking nodig. Deze is niet verzekerd sinds de coalitie bij de verkiezingen van vorige maand voor de Provinciale Staten zijn meerderheid in de Eerste Kamer verloor. Vandaar de gesprekken van Koolmees in de achterkamers met vertegenwoordigers van de GroenLinks en de PvdA die straks het kabinet in de Eerste Kamer met hun stem aan een meerderheid kunnen helpen.

Er beweegt van alles op diverse fronten, maar het gaat er nu om wie de spreekwoordelijke eerste stap zet. Daarbij is haast geboden omdat als pensioenkortingen voorkomen willen worden nog dit jaar wetswijzigingen tot stand moeten komen. De grootste hobbel is de pensioenleeftijd die sinds enkele jaren is gekoppeld aan de levensverwachting. Een eis van de vakbonden is dat deze leeftijd bevroren wordt op de nu geldende ingangsdatum van 66 jaar. Zou het kabinet hieraan willen toegeven dan kost dit op termijn miljarden euro’s aangezien dit betekent dat de AOW-leeftijd minder snel wordt verhoogd. Duidelijk is al wel dat het kabinet op dit punt wil bewegen.

Van belang is de precieze vormgeving. Hoe generieker de maatregelen, hoe duurder ze zijn. In de talloze onderhandelingsrondes is gebleken dat er brede overeenstemming bestaat over het uitgangspunt dat in het pensioensysteem en bij de ingangsleeftijd van de AOW meer maatwerk moet komen. Zo is er het terechte verlangen dat bij het koppelen van de AOW-leeftijd aan de stijging van de levensverwachting meer rekening moet worden gehouden met de zwaarte van het beroep.

Maar hoe langer de partijen elkaar in gijzeling houden, hoe moeilijker het wordt dat maatwerk in wetgeving om te zetten. Dan is het resultaat een uitkomst die niemand wil. Dit ‘Britse’ scenario dient te allen tijde voorkomen te worden.