Menno Wigman in tram 12

De een kom je nooit tegen, de ander overal. Menno Wigman en ik waren er goed in elkaar op onverwachte plaatsen tegen het lijf te lopen. Op de Nijlpaardenbrug, onder de Galerij van de Raadhuisstraat, in de Mensenvriend op het Haarlemmerplein. De laatste keer dat we elkaar spraken was in de tram, de 12 om precies te zijn. „Op weg naar Zorgvlied?”, zei ik. Hij lachte, maar keek er zorgelijk bij.

„Guus, hier Menno”, schreef hij me een paar dagen later. „Dat was een bijzondere ontmoeting. Ik ga sinds een week of drie bijna dagelijks naar een zolderkamer op de Churchilllaan – geen TV, geen internet, helemaal niks – en heb eindelijk na drie doffe maanden vol dadenloosheid, het manuscript van m’n nieuwe bundel weer durven bekijken – je weet niet half hoe bang ik was dat het zou teleurstellen. Maar het kon er mee door en nu zwelg ik een beetje in wereldverzaking. De zon kan me niks schelen, mijn vrienden en kennissen ook niet zoveel meer.”

Een paar maanden later was hij dood.

Wigman en ik kenden elkaar via Baudelaire die we allebei bewonderden. Toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, vertelde de jonge dichter dat hij de drummer was van punkband Human Alert en bevriend met mijn dochter.

Zoiets schept een band. In de jaren die volgden, is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Vanaf zijn eerste bundel ’s Zomers stinken alle steden, waarmee hij in 1997 officieel debuteerde, bevielen zijn verzen mij zeer.

Dit is uit ‘Vondelpark’: ‘De stad was toen een blonde kroeg,/ een toren van extase,/ en midden in het park bestal/ de zon de tijd de dag,/ we wisten niet meer wie we waren.’ Baudelaire zweeft nog door de regels, maar het is al helemaal Wigman.

Die snel naam maakte, maar altijd dezelfde man bleef, schuw, en tegelijkertijd heel uitgesproken, nooit echt gelukkig. ‘Er tikken pissebedden in mijn hoofd’, schreef hij in ‘Herostratus’. ‘Ze naaien mijn gedachten op.’

Tijdens ons ritje met de 12 kregen we het over schrijver en beeldend kunstenaar Pam Emmerik, wederzijdse vriendin, jong gestorven, vier jaar geleden alweer. „In de tijd dat ze nog in Amsterdam woonde”, zei Menno, „en dat ik haar in De Pels zag, noemde ze me soms ‘Menno de meisjeseter’. Geestig – maar moet je me nou zien.”

Het ergste moest nog komen. Dit is uit ‘Iets met lipstick’ in zijn laatste bundel Slordig met geluk: ‘Ben je verliefd op je verdriet/ of is het dit augustusweer?/ Ik wilde deze zomer niet./ Ik wilde een gedicht.// Maar iets met lipstick haalt me neer.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.