Opinie

Bergen-Belsen

Tommy Wieringa

Een vriendin vraagt me mee te gaan naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Ze is schrijfster, ze heeft voor twee jaar een residentieoord in Bergen om er aan een boek te werken. In het namenregister van het museum zoekt ze gewoontegetrouw haar achternaam. Wel Korn en Korngold, geen Kornmehl. Veel van haar familieleden staan een heel eind oostelijker geregistreerd, in Sobibor.

Ook al is het al bijna mei, het is gemeen koud en sneeuwt flink tussen de massagraven. Vijfduizend hier, tweeduizend daar, tienduizenden overal – alles ruwweg, naar schatting; de parkachtige omgeving suggereert een ordelijk verloop met accurate tellingen, niet de ontreddering, de chaos en de stank van de lijdensinstallatie van ‘organisierte Vernachlässigung’ die de Britten op 15 april 1945 aantroffen, de gemeenschap van tienduizenden doden en overlevenden, slordig dooreen en nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Het opruimen van de doden door SS-bewakers ging niet snel genoeg, al vlug werden stapels uitgeteerde lijken met shovels in massagraven geschoven.

In Amor fati herinnert Bergen-Belsen-overlevende Abel Herzberg zich kampcommandant Joseph Kramer en vraagt zich af: „Is hij een Duitser en is hij elders ondenkbaar? Of kan hij, of iemand, die op hem lijkt, onder bepaalde omstandigheden overal voorkomen? Wij zijn, naar ik vrees, maar al te gauw geneigd, hem een Duits monopolie te verlenen.”

Direct na de oorlog werd het nazisme nog zo eng mogelijk gedefinieerd (met iemand als Herzberg als verlichte uitzondering) opdat zulk daderschap maar een strikt Duitse aangelegenheid zou blijven. In De spiegel van het Westen schrijft politiek filosoof Jean-Louis Vuillerme: „Bij het genocideverdrag uit 1948 spreidden de partijen een onwaarschijnlijke consensus tentoon: hoewel ze uit de meest verschillende richtingen kwamen, vroegen ze allemaal om een zeer beperkte definitie van genocide, die van het nazisme een fenomeen maakte dat nergens mee te vergelijken was, en die bovenal niet indirect ook van toepassing kon zijn op de overwinnaars uit 1945.”

Wij, kinderen van na de oorlog, zijn in elk geval grootgebracht met de vrome notie dat het kwaad in ieder van ons huist, en dat het vooral de omstandigheden zijn die dicteren of het wordt geactiveerd of niet. Van dat kwaad zijn we volgens Vuillerme in het beste geval de ‘symptoomloze dragers’. We werden opgevoed tot kinderen van Erasmus met stichtende cultuur en de actieve herinnering aan de menselijke smet in het hart van Europa. Dat medicijn lijkt nu uitgewerkt. Toen AfD-oprichter Alexander Gauland Hitler en de nazi’s vorig jaar „een vogelpoepje op duizend jaar succesvolle Duitse geschiedenis” noemde, waren veel Duitsers opgelucht dat zoiets eindelijk hardop gezegd mocht worden.

In Amor fati noteert Herzberg: „Nu zijn wij, na enige omzwervingen, uit Bergen-Belsen teruggekeerd, en alles is alweer een tijd geleden.” Een wonderlijke zin als je je bedenkt dat hij in 1946 werd opgeschreven. Nu is het echt alweer een tijd geleden en ook in het plaatsje Bergen, zeven kilometer bij het concentratiekamp vandaan, stemde het merendeel van de kiezers op Gauland en zijn vrienden.

Het was een bagatel, en nu is het voorbij, gedaan, is de boodschap – maar in de auto terug naar huis luister ik op Deutschland Funk hoe Ferdinand von Schirach, schrijver en strafpleiter in Berlijn, nog altijd worstelt met zijn eigen Vergangenheitsbewältigung. Von Schirach stamt uit een oud adellijk geslacht – als ik me goed herinner maakte een verre voorvader indruk door op het inauguratiebal van Abraham Lincoln te dansen op een ingenieus geconstrueerd houten been – en is de kleinzoon van nazikopstuk Baldur von Schirach.

Hij wil nu de roofkunst van zijn familie in kaart brengen en zo mogelijk terugbezorgen aan de rechtmatige eigenaren. Niet één- maar tweemaal bezondigde zijn familie zich aan diefstal, zegt hij: de eerste keer toen ze de kunst van Joden afhandig maakte, en de tweede keer toen zijn grootmoeder alles in het werk stelde om de in beslag genomen kunst weer uit handen van de geallieerden te krijgen, waar ze grotendeels in slaagde. De Duitse schuld is in Von Schirach een ereschuld geworden, die net als titels en sommige ziektes overerfbaar is.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.