Recensie

Recensie Theater

Tussen de genadeloze grappen door filosofeert Daniël Arends over ouder worden

In zijn voorstelling Meer van hetzelfde deel 1 zet cabaretier Daniël Arends zich geestig en vlijmscherp af tegen ouderen en jongeren, terwijl hij zich als man van 39 afvraagt hoe dat moet: ouder worden.

Daniël Arends - Meer van hetzelfde (deel I)
Daniël Arends - Meer van hetzelfde (deel I) Foto Herman Poppelaars

Bij een sarcastische titel als Meer van hetzelfde deel 1 kun je van een cabaretier als Daniël Arends verwachten dat hij het zat is om steeds hetzelfde kunstje te moeten opvoeren en het tegenovergestelde gaat doen. En dat gebeurt. Arends opent de voorstelling met het spelen van preludes van Chopin op zijn vleugel. Als een concertpianist, een verwijzing naar het publiciteitsbeeld van de voorstelling, waarop hij poseert als Wibi Soerjadi. Mensen halen hen wel eens door elkaar, zei Arends in eerdere voorstellingen.

Na dit subtiel, louter visueel commentaar zegt hij even later zelf dat hij Japanners en Chinezen niet uit elkaar kan houden. Dat is geen racisme, zegt hij, maar het tegenovergestelde, want hij maakt geen onderscheid. Hij is alleen „extreem ongeïnteresseerd”. Is dat een geloofwaardige uitleg? Hoe kijken we naar iets, naar mensen die ‘hetzelfde’ worden genoemd? Waar zitten de verschillen? Dat is een vraag die Arends in deze voorstelling op allerlei manieren stelt.

Geen pleaser

Arends maakt het de toeschouwer niet gemakkelijk. Hij is geen pleaser. Dat is wat hem zo’n goede, interessante cabaretier maakt: de toeschouwer kan niet rustig achteroverleunen in zijn eigen gelijk.

Met zijn titel heeft hij verrassend genoeg wel degelijk serieuze bedoelingen. Sinds hij niet overleed in de sloppenwijken van Jakarta waar hij werd geboren, ziet hij alles als een bonus. Nu is hij 39 en hij stelt dat hij net zo goed dood zou kunnen gaan, omdat zijn leven niet beter wordt. Het is alleen meer van hetzelfde. En dus gaat deze voorstelling over verandering, over de levensvraag óf en hoe een mens nog kan veranderen, nog kan groeien.

Hij voert er een kronkelig betoog over, in een van ideeën, invallen en grappen overkolkende, bruisende voorstelling. De humor is soms onomwonden grof en bot, soms een duivelse omkering of grillige omweg en andere keren van een ongerijmd absurdisme. Of dat alles tegelijk, zoals wanneer hij zijn waardering uitspreekt over de hoeveelheid arbeid die in producten zit, met bizarre voorbeelden, en dat uitbreidt tot zijn afkeer van ‘fair trade’ chocola: „Ik wil geen zeezout. Ik wil tranen van gestolen weeskinderen. Daar moet het naar smaken.” Cabaretiers maken graag grappen over nieuwigheden die ze modieus vinden, maar niemand vindt er zulke invalshoeken bij als Arends.

Dat toont hij eens te meer aan als hij vanuit zijn afkeer van empathie een slap bruggetje maakt naar een serie platte grappen over dingen die hij niet snapt. Dat is allemaal opzet. Het soort makkelijke veroordeling van banale zaken wekt een verwachting die hij nodig heeft als hij zegt ook niks te snappen van homoseksuele mannen. Hoe hij dat onbegrip vervolgens uitwerkt en uitbeeldt in een lange sketch is groots. De grap kan niet zonder de aanloop, maar samen levert het briljant theater op.

Versuikeren

Oude mensen gaan op een gegeven moment dicht, is wat Arends zegt. Dan nemen ze geen nieuwe informatie meer op. Ze herkauwen alleen nog en versuikeren hun kleurloze leven. Maar dat je je aftakeling weet op te leuken, betekent niet dat er groei in zit, sneert Arends. Op de millennials heeft hij het ook niet. De „jeugd van tegenwoordig” vindt hij maar ouwelijk, slappe mietjes, met hun gezond leven en eten.

In het spoor van die beschimpingen zet hij zich af tegen verwendheid, tegen mensen zonder talent die toch iets willen en denken te kunnen bereiken. Voor verwende mensen die dan „gekke dingetjes” gaan doen om zich bijzonder te voelen heeft Arends een mooi woord: ze zijn „tragiekloos”.

De mensen die zo verwend zijn, maar stilstaan, omdat ze niet geleerd is uit een ander vaatje te tappen, verwerkt hij in een poëtische metafoor. Die komt voort uit een wonderlijk verhaal waar hij steeds bij terugkeert - over een opleiding als piano-wonderkind op een school in Moskou. Hij wijst op het fenomeen dat een noot door de veranderende context steeds een andere waarde krijgt.

Die metafoor is op veel meer van toepassing. Op de grappen die hij maakt, op het ritme van de voorstelling, maar ook op hemzelf. Hij verandert niet, maar de context van zijn leven wel. In essentie is hij dezelfde. Er is geen wezenlijke verandering, maar wel voldoende schijn van verandering om het leven de moeite waard te houden.

Waardoor deze voorstelling, ondanks dat Arends zijn publiek genadeloos beledigt en allesbehalve aaibaar is, ondanks zijn snerende toon, ook beklijft als een ontroerend beeld van een bijna-veertiger, een vrijbuiter, die worstelt met ouder worden. Onsentimenteel, existentieel.

Ouder worden, je kan het niet goed doen, zegt hij. Wat hij wel beseft, en jonge mensen meegeeft, is dat je voor het stil wordt voor een crescendo moet zorgen. Hoe je dat doet is de vraag, maar in artistiek opzicht is dit steengoede Meer van hetzelfde deel 1 wel zo’n crescendo voor Daniël Arends. Zoals ze in de concertzaal roepen: Bravo! Bis!

Correctie (22 april 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de recensent de voorstelling bezocht op 28 april 2019. Dat was op 28 maart.