OVV: onvoldoende zicht op risico’s patiënten

Psychiatrische zorg Volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid hebben zorgverleners „onvoldoende zicht op de risico’s” voor de patiënt en zijn omgeving.

GGZ-instelling de Woenselse Poort in Eindhoven.
GGZ-instelling de Woenselse Poort in Eindhoven. Foto Les van Lieshout / ANP

De ene patiënt doodde zijn vriendin en sprong voor de trein, een andere werd door de buurman thuis verwaarloosd aangetroffen op de grond en overleed in het ziekenhuis.

In een donderdag verschenen rapport over de relatie tussen veiligheid en zorg toont de Onderzoeksraad voor Veiligheid hoe het zo ver kwam. De Raad onderzocht zeven bestaande gevallen waarin de zorg voor mensen met een ernstige psychische aandoening tekort schoot en concludeert dat de veiligheidsrisico’s rond deze groep – er zijn circa 20.000 patiënten in „acute zorgnood” – onvoldoende bekend zijn, zowel voor henzelf als voor hun omgeving.

Vanzelfsprekend zijn er „grenzen aan de „maakbaarheid van het zorgsysteem”, schrijft de Onderzoeksraad, „en veel betrokkenen doen hun uiterste best om goede zorg te verlenen”. Desondanks faalt „het systeem” volgens de Raad op belangrijke punten en verergert hierdoor soms zelfs de problematiek.

Zo ontbreekt een „compleet beeld” van de patiënt en van diens veiligheidsrisico’s doordat zorgverleners en instanties niet samenwerken. Ze zijn – ten onrechte – terughoudend in het delen van informatie, die bovendien versnipperd is over verschillende systemen. Vorige maand trok de Raad al diezelfde conclusie in een rapport over de veiligheidsrisico’s rond Michael P., die Anne Faber in 2017 om het leven bracht. Ook toen was er volgens de Raad te weinig zicht op het gevaar van P. voor zijn omgeving doordat informatie niet werd gedeeld.

Lange wachttijden

In dit laatste rapport – noem het deel twee van een tweeluik – concludeert de Raad bovendien dat het vaak veel tijd kost voordat in kaart is gebracht welke hulp patiënten met een ernstige psychische aandoening nodig hebben, en dit vervolgens te regelen. Dit komt onder meer door wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg en de terughoudendheid van zorgaanbieders vanwege de hoge behandelkosten.

Meerdere problemen

Daarnaast hebben deze patiënten vaak meerdere problemen en daar is het zorgsysteem niet op ingesteld. Zo wordt in het rapport de casus genoemd van een vrouw met onder meer trauma’s, een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en een eetstoornis. De zorgaanbieder die de persoonlijkheidsstoornis kan behandelen stelt als voorwaarde dat éérst de eetstoornis wordt behandeld, terwijl de zorgaanbieder gespecialiseerd in eetstoornissen juist wil dat eerst de andere problemen worden aangepakt. Uiteindelijk wordt de vrouw van de ene naar de andere aanbieder gestuurd en krijgt geen hulp.

De verantwoordelijkheid voor de zorg en veiligheid van mensen met ernstige psychische problemen is de afgelopen jaren verschoven van het Rijk naar gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers. Volgens de Raad vraagt dit nog meer inspanningen om de juiste zorg op het juiste moment te leveren. Uit het onderzoek blijkt dat dit niet altijd gebeurt. Zo houdt de opbouw van ambulante zorg geen gelijke tred met de afbouw van het aantal bedden in de zorg. Mensen met ernstige psychische problemen verblijven minder lang in een instelling en worden nu vaker thuis behandeld. Maar in de praktijk blijkt deze hulp niet voldoende toereikend voor deze groep. En soms mijden deze mensen de zorg of zijn ze niet in staat een eigen hulpvraag te formuleren, hoewel dit in het bestaande systeem wel van ze gevraagd wordt.

Dit alles kan „hun problematiek verergeren”, schrijft de Onderzoeksraad voor Veiligheid. De levensverwachting van mensen met een ernstige psychische stoornis is volgens de onderzoekers 15 tot 25 jaar korter dan gemiddeld. Vanwege hun aandoeningen, en door de onveilige situaties waarin ze soms belanden.