Recensie

Recensie Boeken

Een vluchteling is niet zielig of onderontwikkeld

Syrië Een jongeman is gevlucht uit Syrië, na vele omzwervingen hier neergestreken, en vertelt zijn verhaal aan Suzanna Jansen. Het is een afschuwelijk relaas, dat niettemin op afstand blijft.

‘Kijk eens, zie je dit knopje hier?’ zegt de mevrouw van de woningbouwvereniging tegen de vluchteling uit Syrië. ‘Als er iemand aanbelt hoef je niet naar beneden te lopen [...]. Leuk hè.’ ‘Wauw, wat bijzonder,’ antwoordt de vluchteling op dezelfde kleutertoon als die zij bezigt. Thuis in Homs zat bij de deur eenzelfde knopje, vervolgt hij: ‘Alleen wat moderner.’ Deze scène spreekt tot de verbeelding. Het is een van de weinige waarin wat scherpte doorklinkt in Wael, het door Suzanna Jansen opgetekende vluchtverhaal van een jongeman uit Syrië die na vele omzwervingen in Nederland neerstreek.

‘Don’t live the story,’ waarschuwde Wael (niet zijn echte naam) Jansen, toen zij in november 2017 voor het eerst afspraken. Hij wilde, zo schrijft ze in de inleiding, dat zij sec opschreef wat hij haar vertelde, met de intentie te ‘laten zien dat een vluchteling geen ander soort mens is’ en dus niet zielig of onderontwikkeld.

Jansen vond het een goed idee. ‘Ik heb gepoogd zijn verteltrant weer te geven, gebeurtenis voor gebeurtenis [...]. Dit is het verhaal vanuit zíjn perspectief, zonder analyses en theorieën.’ In die opzet zijn ze goed geslaagd. Maar het is de vraag of het wel zo’n handig uitgangspunt was. Hoe gruwelijk het relaas ook is, het gaat in deze vorm nogal voorbij aan de eisen die een verhaal nu eenmaal stelt, ook non-fictie. Het heeft nu nodeloos een ‘en toen, en toen’-opsommend karakter gekregen en komt niet zo aan bij de lezer als had gekund. Het blijft op afstand.

Kalifaatmeisje

De betrokkenheid van de lezer was vergroot als Jansen voor een bredere opzet had gekozen, wanneer ze de wereld van Wael had doorspekt en ingekleurd met beschrijvingen en beelden. Ze had langer stil moeten staan en ruimte moeten bieden aan wat het bij de lezer allemaal aan vragen oproept. De gekozen vorm biedt nu te weinig houvast om tot een echte voorstelling van zaken te komen. Hoe erg ook, want wat Wael vertelt, is mensonterend. En gek genoeg blijft het in deze vorm dus toch een beetje bloedeloos.

Nog in Homs wordt Waels’ werkgever, hoofd van vluchtelingencentra aldaar, opgepakt en afgevoerd. Iedereen weet dat detentie en marteling zullen volgen. Wael: ‘Iemand vroeg: “waar is zijn mobiel?” Opluchting toen ik vertelde dat ik die had verstopt. Toen de vraag “wie belt zijn vrouw?” Niemand wilde. We kregen er ruzie over. Uiteindelijk belde ik zijn zus. Zij moest huilen. Daarna belde ik zijn vrouw. Ze vroeg: “weet je wie hem hebben opgepakt?” Welk onderdeel van het leger, bedoelde ze. Ik zei dat ik dat niet wist.’ Het is zo naargeestig, maar het was toch nog beter overgekomen als Suzanna Jansen een andere werkwijze en vorm had gekozen. Bijvoorbeeld zo breed als Thomas Rueb in zijn boek Laura H. Het kalifaatmeisje uit Zoetermeer.

Wael, die als hij zelf in dienst moet , vlucht, is een integer, intelligent en dapper man. Hij verdient alle respect. ‘Ik vind het moeilijk om over mezelf te vertellen [...],’ constateert hij in het boek. ‘Ik zeg liever dat alles goed gaat. Zo ben ik.’ Maar wat graag had ik hem en zijn wereld beter leren kennen.