Foto Frank Ruiter

‘Ik heb slechts gedeeltelijk aan het leven deelgenomen’

Lunchinterview Hugo Koolschijn (72) , acteur, is getekend door een extreem godsdienstige opvoeding. „Hier was ik dus al bang voor, dat dit weer de conclusie zou worden.”

Hugo Koolschijn (72) is acteur, hij speelde grootse rollen in toneelstukken, in zelfgeschreven monologen, in films. Na zijn pensionering zou hij, om het vacuüm te vullen, een boek schrijven. Geen autobiografie, dat klinkt te hoogdravend. Geen roman, geen „grote klacht” over de in zijn leven opgelopen kwetsuren en krenkingen. Nee, hij zou herinneringen optekenen aan de mensen die hij ontmoette, aan de acteurs van naam die hij heeft gekend, aan de vrouwen met wie hij kinderen kreeg en van wie hij soms pijnlijk scheidde.

Met pensioen ging hij niet – hij staat voor het vijftiende jaar op rij op het toneel met het stuk Scènes uit een huwelijk. Het vacuüm bleef uit, maar het boek is er toch, Voorstellingen heet het. Deels gebaseerd op zijn dagboekaantekeningen, deels op wat hij nog woordelijk wist. „Voor gesprekken heb ik een uitstekend geheugen. De dialogen, de exacte formuleringen van die zei dit tegen me, die dat, en toen zei ik zus.” We zitten bij brasserie Van Baerle in Amsterdam, waar mensen komen „over wie je leest in de Privé” en waar hij om de hoek woont. We zitten aan een tafel aan het raam, hij bestelt de lunchformule van sla vooraf en daarna entrecôte en, vooruit waarom niet, één glas witte wijn. Zijn gezicht is gegroefd, zijn gestalte tanig, zijn stem melodieus.

Eerst dit: de acteurs in zijn boek noemt hij allemaal bij naam. Ramses Shaffy, Joop Admiraal, Kitty Courbois. Alle anderen, zijn vrouwen, vier kinderen, zijn zusje en twee broers voorziet hij van een pseudoniem. „Mijn privéleven hou ik anoniem.” Wat mij in verwarring bracht, zeg ik, is dat hij de dominee die zijn jeugd domineerde ook anders noemt, terwijl die toch enige bekendheid geniet door het boek Knielen op een bed violen dat Jan Siebelink schreef over de verstikkende geloofskring waartoe ook hij in zijn jeugd behoorde. De bewuste dominee komt – onder weer een andere naam – ook voor in het boek Geen sterveling weet van Gerard Koolschijn, classicus en niet onbekende schrijver. Dat zal dus wel zijn één jaar oudere broer zijn.

De dominee is dan Jan Pieter Paauwe (1872-1956), bevindelijk gereformeerd predikant, die ruzie kreeg met de kerkenraad, vervolgens op eigen houtje begon te preken in en rond Den Haag en om zich heen een harde kern gelovigen verzamelde, ook wel Paauweanen genaamd. De leer die hij zijn volgelingen inprentte was niet mals. Dat de mens al bij geboorte verdoemd en gedoemd is, dat was voor ‘gewoon’ gereformeerden geen nieuws, maar hij deed er nog een schepje bovenop door ook het hiernamaals voorwaardelijk te maken. Alleen de ware gelovige wachtte genade, en een ware gelovige ben je pas als God je daartoe een teken geeft, en wat dat teken dan precies is, weet je pas met zekerheid als je het ontvangt. En van die dominee was zijn vader, schrijft Hugo Koolschijn, „voorzanger, collectant, chauffeur” en slippendrager.

Extreem godsdienstige opvoeding

Waarom geen namen en rugnummers genoemd? Waarom de man die zo’n invloed had op zijn vader en daarmee op hem, het voordeel gunnen van de anonimiteit? Waarom een boek schrijven dat op z’n minst semi-autobiografisch is? Hier moet ik, tussendoor, misschien uitleggen dat een interview in de verste verten geen gewoon gesprek is. Normaal gesproken begin je iemand niet na vijf minuten tig waarom-vragen te stellen. Hugo Koolschijn antwoordt, eerst tamelijk rustig „Je legt me het vuur aan de schenen, daar heb ik moeite mee.” En vertelt dan hoe moeilijk het was dit boek te schrijven. „Het is laveren, laveren, laveren. Die leeft nog, en die, die wil ik niet schofferen, die moet ik recht doen.”

Aan zelfanalyse of psychische duiding heeft hij nu geen behoefte, zegt hij. „Wat niet wegneemt dat ik mijn leven lang problemen heb gehad met het feit dat ik een extreem godsdienstige opvoeding had. En dat dat totaal niet serieus werd genomen. Er werd, er wórdt gedaan alsof ik me er na zestig jaar nog over beklaag dat Sinterklaas niet bestaat.” De wereld waarvoor hij destijds koos – Amsterdam, toneel, vrijzinnige acteurs – botste met wie hij was. „Als ik seksueel was misbruikt door mijn vader, door de dominee desnoods, dát hadden ze begrepen. Maar dit…” Wat bij mij weer de vraag oproept hoe hij, met dat zware geloof, ooit acteur heeft mogen worden van zijn vader? Hij zucht. „Dat staat in mijn boek.” Daar las ik dat een vriend van zijn vader voor hem bemiddeld heeft, maar dat beantwoordt de vraag niet helemaal.

Foto: Frank Ruiter

Zijn vader, zegt hij dan, belichaamde extreme tegenstellingen. „Diepreligieus, maar wel een maîtresse in Zwitserland. Zondagsrust en ootmoed, maar ook paardrijden, luxe vakanties en rijden in een slee.” Hij beschrijft een scène uit zijn jeugd waarin hij zijn vader bespiedt die in de tuin zat te zonnen. „Hij wilde graag egaal bruin worden, dus rolde hij zijn zwembroek ver naar beneden, zo ver dat ik zijn bilspleet kon zien.” Om te voorkomen dat iemand hem ijdelheid zou verwijten, of ledigheid, las hij zogenaamd diep geconcentreerd een godvruchtig geschrift, zich onderwijl in onmogelijke bochten wringend op zijn klapstoel om elke zonnestraal te vangen.

Bewondering voor autoriteit

Nu hij zelf over zijn vaders gespletenheid begint, biecht ik op dat ik eigenlijk het hele boek heb gewacht op de bekentenis die niet kwam. Zou het zo kunnen zijn dat die adoratie van zijn vader voor de dominee, gewoon verliefdheid was? Kwam zijn gewelddadigheid soms voort uit het onderdrukken van die homoseksuele gevoelens? En, dender ik meteen door, kent Hugo Koolschijn die gevoelens misschien zelf ook? En nogmaals, we zitten nét tien minuten met elkaar aan tafel. Zijn bovenlichaam zwiept nu hevig van voor naar achteren, alsof hij is gebeten door een slang. „Hier was ik dus al bang voor”, zegt hij. „Dat dit weer de conclusie zou worden.” Hij is niet boos, maar razend. „Mijn vader had een enorme bewondering voor hooggeplaatsten, voor autoriteit in het algemeen. Hij stelde alles in het werk om maatschappelijk hogerop te komen.” Hij schopte het tot advocaat.

Ik hunkerde naar gezien worden

„De dominee was mijn vaders goeroe, de absolute autoriteit die rechtstreeks in verbinding stond met het Opperwezen.” Zijn vader was een „zeer agressieve man” die in de dominee een „leidsman vond die een tempering voor zijn agressie bleek”. De suggestie dat dat iets met homoseksualiteit te maken heeft, werpt hij krachtig van zich, zegt hij. En wat hem zelf betreft, ja hij heeft vaak het gezelschap gezocht van oudere mannen. „En wat werd er vervolgens in het zogenaamd vrijgevochten acteurswereldje gefluisterd? „‘Ah, hij durft zeker niet uit de kast te komen’.” Hij kronkelt in zijn stoel. „Zó bekrompen.” Wat hij zocht in zijn vriendschappen met mannen was totaal iets anders. „Ik hunkerde naar gezien worden.”

Hij tast nu in de binnenzak van zijn jasje, en geeft me een opgevouwen kopietje uit de Winkler Prins van het lemma ‘bevindelijk christendom’, een orthodoxe afsplitsing van het protestantisme. „Mensen zijn analfabeet op het gebied van godsdienst.” Hij pakt het kopietje terug, leest het vluchtig door, geeft het terug en vat samen: „De mens deugt nergens voor, daar komt het zo’n beetje op neer.” Zijn vaders dominee was weer afgesplitst van de afsplitsing. „Een sekte, dat was het. Maar dat wordt niet begrepen.”

Ik laat op het scherm van mijn telefoon zien wat ik heb opgezocht toen ik zijn boek las. Het Wikipedia-lemma over het religieus traumasyndroom, een aandoening die vergelijkbaar zou zijn met andere posttraumatische problemen. Hij knikt, en maakt er een aantekening van op een kladpapiertje. „Het wordt niet begrepen dat zoiets in je systeem gaat zitten, het is je fundament. Mensen zeggen: maar Jan Wolkers dan, die heeft tenminste wat met dat rare geloof van hem gedáán.” Hij zucht en heft zijn handen in onmacht ten hemel. „Zijn herkomst is een compleet andere dan de mijne.”

Lees ook: dit artikel over de rol van orthodoxe religie in de Nederlandse literatuur

Altijd hield hij afstand

„Ik wil niet dat het er aldoor over gaat,” zegt hij. „Vraag me eens iets over fietsen.” Ik vraag wanneer hij is gaan fietsen. „Mijn broers deden het al. Ik begon er in 1973 mee.” En waarom? „Fietsen bevrijdt me.” In 1981 heeft hij zijn eerste lange tocht in de Franse bergen gemaakt, en dat is hij sindsdien elk jaar blijven doen. Nu even niet, zegt hij wijzend op zijn schouder. Bij de uitvoering van The Fountainhead is hij, op het toneel, over een kabel gestruikeld. „Een doodsmak.”

Fietsen is autonomie, zegt hij. „Er is een afstand, van 100 of 180 kilometer, er is geen voorgeschreven route. Het is ongelooflijk zwaar en emotioneel, vaak genoeg ben ik na het bereiken van de top in mijn eentje in snikken uitgebarsten. Maar als je de kilometers haalt die je in je hoofd had, heb je de luxe die daarop volgt echt verdiend. Eten smaakt beter, je hebt echte dorst, je slaapt goed.” Fietsend voelt hij zich, na een dag of tien, een „beter en capabeler” mens.

Want, terugkijkend op zijn leven, moet hij vaststellen dat hij „slechts gedeeltelijk aan het leven heeft deelgenomen”. Altijd hield hij afstand, zegt hij. „Mijn ongeloof in eigen kunnen verborg ik onder ironie.” De directeur van de toneelschool doorzag hem, toen hij waarschuwde: „Je innerlijk leven staat je in de weg.” Dat gold voor meer dan alleen zijn spel. Een oude kennis van zijn ouders, die ook gelovig was, vertrouwde hem toe dat ze het een wonder vond dat er ooit iets terecht is gekomen van de kinderen Koolschijn. En daar is hij dan wel weer trots op. „Ik sla mezelf niet op de borst, maar ik ben wel trots op mijn volharding.”