Opinie

    • Frits Abrahams

Hoe Ajax ook mij versloeg

Dat Real Madrid en Juventus van Ajax verloren was tot daaraan toe, maar wie had ooit kunnen denken dat ik zelf ook nog eens van Ajax zou verliezen? Het overkwam me deze week, op de avond dat Ajax zulke glorieuze uren beleefde.

Ik zat thuis naar de wedstrijd in Turijn te kijken op een manier die me niet helemaal zinde. Het liefst wil ik als kijker verder niets aan mijn hoofd hebben zodat ik me optimaal kan concentreren. Dus geen mensen om me heen die relativerende opmerkingen maken („Het is maar een spelletje”) of opeens over het klimaatakkoord, laat staan Thierry Baudet, beginnen. Topsport is topsport, ook voor de kijker.

Op deze avond kon ik bezoek verwachten van een geluidstechnicus van de NOS, die een live-verbinding met het radioprogramma Met het oog op morgen tot stand moest brengen. De presentator in de studio zou me ergens tussen elf en twaalf uur interviewen over mijn nieuwe bundel kattencolumns. Een aardig promotiekansje – dat sla je niet zomaar af. Alleen, mijn hoofd stond niet naar katten, het wilde alleen maar doelpunten zien van Ajax. En die bleven een flinke poos uit.

Ajax startte zwak, Juventus werd sterker en ik begon steeds meer te wanhopen. Het viel me nog mee dat Ajax met 1-1 de rust haalde; de kans op herstel leek niet groot. Ik probeerde aan het naderende interview te denken, maar ik zag geen van mijn oude katten voor me – alleen maar Ronaldo, die opnieuw zijn klauw naar Onana zou uitslaan, ditmaal met dodelijk gevolg.

Gelukkig liep het allemaal anders. Had ik dat maar tevoren geweten, want er gebeurde nu iets eigenaardigs met me. Terwijl Ajax zich prachtig herstelde en een voorsprong nam, begon de spanning mij in een wurggreep te nemen. Het moet mijn Ronaldo-trauma zijn geweest. Hij zou toch weer scoren, nog twee keer zelfs, het kon niet uitblijven, al zou het misschien tot de laatste minuut duren.

Ik besloot de straat op te gaan. Zolang ik het niet kon zien, zou het ook niet gebeuren. Mijn manier van magisch denken. Kinderachtig, maar dat mag op hogere leeftijd weer. Een verkoelende wind streek langs mijn slapen, de buurt was volledig uitgestorven, op één zonderling na: die zat langs de kade onder een lantaarn een boek te lezen. Misschien was hij wel een nieuwe Kafka.

Een kwartiertje doolde ik door het doodstille stadshart, waaruit zelfs de toeristen waren verdwenen. Het enige wat ik hoorde was af en toe een wilde kreet uit een van de omringende huizen. Een doelpunt? Haastig liep ik door.

Toen ik weer thuiskwam was de wedstrijd bijna afgelopen. Nog twee doelpunten in enkele seconden – dat was zelfs voor Ronaldo te hoog gegrepen. Ik herademde en genoot van de feestelijke taferelen op het veld. Toen ging omstreeks half twaalf de bel. De technicus van de NOS. Hij installeerde zijn apparatuur, ik deed nog even snel een plasje, alsof een dopingautoriteit dat verlangde, en keerde terug naar de huiskamer. Die katten, ik was ze helemaal vergeten, wat wilde ik er ook weer over zeggen?

De technicus, een man van weinig woorden, keek me aan en zei: „Ik hoor net dat het niet doorgaat. Er is door Ajax geen tijd meer voor uw onderwerp.”

Ook ik had van Ajax verloren, maar ik vond het een eer om zó te verliezen – en voelde me ongetwijfeld stukken beter dan Ronaldo.