‘Goede grap doet meer dan kilo supplementen’

KNVB-arts Edwin Goedhart Een dokter hier, een specialist daar. Een pilletje hier, een voedingssupplement daar. Waar ligt in topsport de grens van medische begeleiding? De visie van Edwin Goedhart, bondsarts KNVB.

Er heerst rust op het KNVB Sportcentrum in Zeist. Twee eenden baltsen in een vijvertje, terwijl in het nabij gelegen medisch centrum verkreukelde sporters revalideren. Edwin Goedhart, hoofd van het centrum, meldt zich verontschuldigend kort na het afgesproken tijdstip; vertraagd vanwege een file. Vanaf het moment dat de sportarts heeft plaatsgenomen in een rustig kamertje, gunt hij zijn tong geen rust. Over medicalisering van de sport heeft Goedhart (55) veel te melden. Zijn leidmotief: topsport zonder medicatie is niet ondenkbaar, wel onlogisch. En de dopinglijst is de grens.

Tot hoever mag een sportarts gaan? Waar eindigt een medische behandeling en begint de bijdrage aan prestatieverbetering? Kun je omstreden middelen voorschrijven die niet op de dopinglijst staan, van sterke pijnstillers tot het schildklierhormoon thyrax? Dilemma’s die in de voetbalbiotoop van Goedhart nog eens versterkt worden door de grote belangen en de druk van trainers. Simpel voorbeeld: als clubarts – Goedhart werkte bij de voetbalclubs Haarlem, AZ, Vitesse en Ajax – legde hij spelers met 38 graden koorts een speelverbod op. Een trainer bestond het achter zijn rug om spelers van de pijnstiller paracetamol te voorzien; om die 38 graden omlaag te krijgen en hen speelklaar te kunnen verklaren. Goedhart wil best „een beetje meedenken in prestatie”, maar er zijn medische grenzen. Zijn grondhouding: „Ik sta met mijn ene been in de geneeskunde en met mijn andere been in de sport, maar mijn dominante been staat altijd in de geneeskunde.”

Goedharts ervaring beperkt zich niet tot voetbal. Hij maakte deel uit van de commissie Anti-Doping Aanpak, die begin 2013, onder leiding van ex-minister Winnie Sorgdrager, de dopingcultuur in het Nederlandse wielrennen onderzocht. De conclusie in haar rapport Meedoen of Stoppen was dat het gebruik van verboden middelen lange tijd verankerd is geweest in de Nederlandse wielersport en zowel ploegleiding als begeleiders van het toenmalige team Rabobank van die praktijken geweten moeten hebben. Het hoofd medische zaken van voetbalbond KNVB, en teamarts van het Nederlands elftal, is ook actief in de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG), waar hij tot voor kort zitting had in de Medisch Ethische Commissie.

Is de sportarts er voor meer dan preventie en blessurebehandeling?

Edwin Goedhart: „Ik vind dat de sportarts steeds meer naar de zijkant wordt geschoven, naar puur de medische kant. Het prestatieve deel ligt tegenwoordig in handen van fysieke trainers, zoals inspanningsfysiologen. Maar als sportarts zijn wij opgeleid om ook dat terrein te bestrijken. Daar kunnen we in meedenken.”

Moet de sportarts meer bij de fysieke training betrokken worden?

„Ja, ons vak is meer dan pleisters plakken en MRI-scans aanvragen. Sportgeneeskunde gaat over de totale zorg van een sporter. Fysiologie komt voort uit de geneeskunde. Voedingsleer komt voort uit de geneeskunde. Psychologie komt voort uit de geneeskunde.”

Zitten die specialisten sportartsen in de weg?

„Ik wil meer deelgenoot van hun vak worden. In een open sfeer kun je het maximale uit sporters halen. De sportarts zou wat mij betreft meer aan de prestatieve kant mogen zitten en er niet zijn om er alleen wat middelen in te pompen, maar ook meedenken op andere vlakken. Vraag bijvoorbeeld vijf voedingsdeskundigen wat helpt in het voetbal en je krijgt vijf adviezen. Iedereen neemt zijn positie in. Wij sportartsen hebben dat laten gebeuren. Er zijn allemaal eilandjes gecreëerd. Het lijkt multidisciplinair, maar het is in de praktijk monodisciplinair. En daarmee bereik je niet het maximale rendement. Toen ik bij Ajax binnenkwam, zei ik tegen collega Piet Bon: ‘Pff, er lopen hier alleen maar mannetjes.’ Later begreep ik die houding. Als je geen mannetje bent, word je weggeblazen. Het is belangrijk je eigen discipline te positioneren, zonder dat het leidt tot verkokering binnen een begeleidingsteam. Dat is heel ingewikkeld.”

Geldt dat ook in relatie tot de coach?

„Ja, vraag maar aan teamartsen hoe moeilijk ze het vinden tegen een trainer te zeggen: hij kan niet spelen. Ik heb bij de eerste hulp gewerkt, waar mensen soms doodgingen. Dan moest je de familie vertellen dat hun geliefde was overleden. Heftig en hartstikke verdrietig. Dat ging mij makkelijker af, dan aan de trainer vertellen dat een speler niet inzetbaar is bij een belangrijke wedstrijd. Zeker als er druk op staat. Ik ben een goede dokter als ik vertel wat speler en trainer willen horen. Ik ben een aardige dokter als ik niet vertel wat ze niet willen horen. Ik ben een vervelende, misschien wel slechte dokter als ik vertel wat ze niet willen horen. Daar moet je als teamarts tegen bestand zijn. Ik noem de sportarts wel eens de tandarts van de organisatie. Je wordt altijd geassocieerd met slecht nieuws.”

Lees ook: Schaatscoach Jac Orie bedacht na jaren onderzoek een eigen multivitamine

Nooit spijt van beslissingen gehad?

„Nee, ik heb elke handeling kunnen uitleggen, hoewel ik me wel eens ongemakkelijk bij een keuze heb gevoeld. Als het fout gaat met een speler, is dat op basis van jouw besluit. Het past niet bij mijn rol te denken aan al die miljoenen die er mee gemoeid zijn of het Nederlandse volk dat meekijkt.

Hoe te handelen bij medicatie? Volgens de wereldbond FIFA is gebruik van pijnstillers een probleem in het topvoetbal.

„In voetbal speel je op topniveau geen vijf wedstrijden achter elkaar zonder pijnklachten. Je neemt altijd een beuk of kneuzing mee uit de vorige wedstrijd. Met een pijnstiller kun je veel vrijer presteren. Dan roept FIFA: ‘er worden wel veel van die middelen gebruikt’. Zit ’m ook in de cultuur. Er zijn continenten waar de hele ploeg aan de medicijnen gaat. In de Amerikaanse sporten, waar de agenda’s sterk worden gecompromitteerd, zitten ploegen preventief aan de pijnstillers. Ze zouden bij bosjes moeten omvallen, maar dat gebeurt niet. Is dat dan medicalisering? Ik weet het niet, maar wel dat het nooit zonder gaat.”

Zou u thyrax voorschrijven?

„De dominante regel in de geneeskunde is: geen middelen voorschrijven die mensen niet nodig hebben. Met een iets mindere schildklierfunctie is prima te leven, mogelijk niet als je topsporter bent en er meer van je gevraagd wordt. Wanneer je met hormonen gaat werken, wordt het kwetsbaar. Je kunt systemen ontregelen. Die afweging moet je samen met de sporter maken.”

Moeten sporters vaak tegen zichzelf in bescherming worden genomen?

„Moeilijk, kom je op cultuur en context. Ik heb in de commissie-Sorgdrager geleerd dat wielrenners het voorheen normaal vonden ongeoorloofde middelen te gebruiken. Dat hoorde bij de professionele instelling, jezelf soigneren. In die context is de stap van vitamines naar andere pillen en methodes een glijdende schaal, een continuüm.”

Edwin Goedhart Foto Bram Petraeus

Gingen uw ogen open?

„Nee, ik vond het vooral interessant. De insteek van de commissie was: laten we niet zoeken naar schuldigen, want het systeem is schuldig. Als ik al mijn beslissingen en afwegingen bij het Nederlands elftal publiek zou maken, zouden veel mensen ook denken: die zijn gek. Het is een andere wereld. Als teamarts kan het zijn dat je een griepvaccin geeft. Als je het niet doet en een sporter krijgt griep, wordt er al snel geroepen: ‘Ondermaatse medische begeleiding’. Maar een bevriende cardioloog, die weinig met sport heeft, zegt: ‘Belachelijk dat je gezonde mensen vaccineert.’ Topsport is een subcultuur met eigen normen en waarden. Daarnaast is de wereld vergeven van mensen die hoop bieden, met voedingssupplementen, methodes en technieken, van koudwaterbaden tot cryocabines [freezelabs], je kunt het zo gek niet bedenken. Veel window dressing. Men maakt elkaar onrustig. Als arts moeten wij reële hoop instandhouden en ijdele hoop wegnemen.”

Wat is uw houding ten aanzien van doping: eigen verantwoordelijkheid of afblijven?

„Dat laatste, heel simpel. Ik kan oprecht zeggen nooit iets te hebben voorgeschreven waar ik niet achter stond. Elke injectie die ik heb gezet, kan ik honderd procent verantwoorden. Ik heb nooit in een spier of pees gespoten met het risico op afscheuren. Ook niet onder druk.”

Leidt dat niet tot conflictsituaties?

„Ja, dat kan tot discussie leiden over verantwoordelijkheden. Bijvoorbeeld bij het WK jeugd in 2001 in Argentinië, met Louis van Gaal als bondscoach. De sportarts had toen nog het vetorecht in te grijpen in de opstelling, bijvoorbeeld bij een speler met hoge koorts. Maar Louis zei: ‘Jij gaat niet mijn opstelling bepalen.’ Hij kon dat zeggen, omdat de coach Van Gaal altijd naar de dokter luistert. Toch zei ik: ‘Wij hebben hier te maken met minderjarigen. De club en de ouders zijn er niet bij. Wie beschermt deze jongens?’ Na een lange discussie kwamen we tot een compromis: geen veto, wel een bindend advies.”

Bent u bij het Nederlands elftal verantwoording schuldig aan bondscoach Ronald Koeman?

„Niet voor de medisch inhoudelijke beslissingen. Voor wat betreft het medisch centrum leg ik verantwoording af aan de financieel directeur en bij het Nederlands elftal aan algemeen directeur Eric Gudde. Bij veel sportorganisaties is het model sterk coach-gestuurd. De coach moet alles weten. Maar dat kan niet, want de kennis rondom topprestaties is inmiddels zo specialistisch dat je die teamleden een eigen verantwoordelijkheid moet geven. Daarbij heb je als arts een beroepsgeheim. Daar moet je niet aan tornen. Dat is cruciaal voor jou als arts om het vertrouwen van de sporter te behouden, anders deelt hij niets meer met je. Dan heb je geen controle meer.”

Is doping een probleem in voetbal?

„Ik denk het niet. Mijns inziens worden nauwelijks verboden middelen gebruikt. Verboden handelingen misschien wel. Je mag geen infuus aan gezonde mensen geven, maar er zijn wel clubs die gebruik maakten van infusen voor herstel en daar niets kwaads in zien. Waarschijnlijk hadden ze het niet door, maar formeel is het een doping geduide handeling.”

Voetbal is niet dopingvrij, maar er is geen probleem, zo moeten we het zien?

„In de kleedkamer met zo’n twintig spelers, in dat open systeem zijn de omstandigheden er niet naar. Er is geen cultuur van soigneren. Een voetballer kan zich makkelijk verschuilen achter het argument dat hij de bal slecht kreeg aangespeeld of het hele team slecht speelde. Als individuele sporter word je altijd afgerekend op je eigen prestatie.”

Hoe zit het met herstelmiddelen? Creatine zou veel gebruikt worden.

„Niet bij ons. Af en toe zie ik het in een supplement opduiken. Nadeel van creatine is dat er vocht meegaat en je twee tot drie kilo zwaarder wordt. Niet handig in een coördinatieve sport als voetbal. Momenteel is vitamine D populair. Vergeten wordt dat in de vitaminehuishouding grote verschillen zitten. Wat voor de één overdosering betekent, kan voor een ander onderdosering zijn. Hoe weet je wat ideaal is? Nu zit iedereen weer aan magnesium. Schiet mij maar lek. Onderzoek wijst uit dat het niets aan krampen doet. Je plast het allemaal weer uit; ontzettend dure urine. De magie van de pil, hè. Zo van: ik heb er alles aan gedaan.”

Is de grens van medicalisering in de sport bereikt?

„Nee, vooral niet op mentaal terrein. We moeten het zoeken in de neurowetenschappen, daar is winst te halen. Het is alleen ontzettend ingewikkeld, omdat het zo persoonsgebonden is. Maar voetbal is cognitie, in die zin dat een speler voortdurend beslissingen moet nemen. De snelheid van een bal inschatten, onder controle brengen, timen, eventueel met een tegenstander in je nek, en tussentijds bedenken naar wie je moet spelen. Alle neuronen zijn aan het werk.”

Lees ook: Wat als alle doping wordt toegestaan?

De oplossing lijkt simpel: een sportpsycholoog aanstellen.

„Is bij Oranje gebeurd. Op voorspraak van Koeman is Rene Felen [specialist teamontwikkeling] aan de staf toegevoegd. Het probleem van een mentale begeleider bij een team is dat je niet iedere speler individueel kunt dwingen met hem samen te werken. Sommige spelers zijn van zichzelf al mentaal sterk. Onderzoek heeft geleerd dat succesvolle kenmerken vaak voorkomen bij sporters die als kind zijn gepest. Die hebben iets van: nobody fucks with me. Of jongens uit verscheurde gezinnen, die ook de zorg voor broertjes of zusjes hebben. En spelers met een kapotte kruisband, die lange tijd op zichzelf zijn teruggeworpen, zonder spotlights, niemand die aandacht voor je heeft. Daar word je mentaal sterk van.”

Is winnen niet de beste doping?

„Ja, en dat kan ik ook biologisch verklaren. Het geeft een anabool effect. Trouwens, een goede sfeer in de ploeg is net zo belangrijk, maar moeilijk meetbaar. Soms denk ik: een goede grap in de kleedkamer doet meer dan een kilo supplementen. Het moet gewoon goed zitten op zowel fysiek, mentaal als sociaal vlak. Gerommel in een van die regionen gaat altijd ten koste van een topprestatie.”

Reageren? reacties@nrc.nl