Opinie

    • Hubert Smeets

Geen laatste eer in Moskou voor een ‘kind van de oorlog’

Rusland bejubelt zijn bejaarden. Maar tussen de geldwolven in het crematorium merk je er heel weinig van, zag Hubert Smeets.

In Rusland is de Tweede Wereldoorlog meer dan ooit de maat der dingen. Elke dag worden de helden, die nazi-Duitsland op de knieën kregen, publiekelijk geëerd. Dat straalt ook af op de bejaarden van nu. Die hebben de oorlog immers zelf meegemaakt.

Je zou verwachten dat die ouderen zeker op hun allerlaatste tocht met egards worden behandeld. Tien dagen geleden kon ik de proef op de som nemen tijdens de uitvaart van een 83-jarige vrouw uit Moskou. Ze was in alle opzichten een ‘kind van de oorlog’, een van de sociale categorieën die de Russische verzorgingsstaat rijk is. Bij haar uitvaart was van respect voor dit ‘kind van de oorlog’ echter weinig te merken.

Reeds bij de ingang van crematorium Nikolo-Archangelski begon het dissen van de dode. Er bleek geen tijdstip voor de dienst gereserveerd. De nabestaanden moesten buiten in een ‘levende rij’ wachten. Een ‘levende rij’ is een rij waar je geen nummertje kunt trekken, maar waar ‘opgestaan is plaats vergaan’ geldt.

Toen we na een uur aan de beurt waren, dook de tweede horde op. De kist was te breed voor de verbrandingsoven, beweerde de sous-cheffin van dienst, nadat ze een blik op de katafalk had geworpen. Het was dat de jongste nicht van de 83-jarige wel sterk in haar schoenen stond en zaak meteen begon op te spelen – „wie is uw chef, dan...” – anders zouden de nabestaanden, verlamd als ze waren in hun rouw, zijn gaan zeulen met de kist. De sous-cheffin bond in. Na een half uurtje ging het crematorium toch voor ons open. Binnen bleek de kist keurig te passen. Waarna alles snel werd afgeraffeld.

De sous-cheffin was er niet blij mee. Ze had een kopeke willen bijverdienen.

Het uitvaartwezen in Moskou, goed voor een jaaromzet van 150 miljoen euro, kampt al decennia met dit soort corruptie.

De geldwolven komen een uurtje na de dood reeds in actie, vaak voordat politie en lijkschouwer überhaupt hun werk hebben gedaan. Begrafenisondernemers betalen tot 30 euro om er achter te komen wie er dood is en op welke nabestaanden ze kunnen duiken. Afgelopen week nog is een politieman in Novosibirsk tot 7,5 jaar werkkamp veroordeeld wegens het verkopen van zulke ‘dodeninformatie’.

In Moskou komt daar nog iets bij. Er zijn te weinig begraafplaatsen en crematoria voor de ruim 120.000 doden per jaar. Onderhands een graf kopen, kan 30.000 euro kosten. Bovendien rolt het geld sowieso op de kerkhoven. Nabestaanden lopen er altijd met een dikke portemonnee rond, omdat alles op de ‘zwarte dag’ contant moet worden afgerekend.

Smeergeld mag dan een lange traditie hebben, pijnlijk is het wel. Het stadsbestuur van Moskou maakte daarom drie jaar geleden aanstalten om in te grijpen. Aanleiding was een schietpartij op het Chovanski-kerkhof, waarbij drie mensen omkwamen en dertig mensen gewond raakten. Deze daadkracht leverde weinig op.

Begin dit jaar kondigden parlementariërs in de Doema daarom een heuse wet aan tegen de hardvochtige begrafenispraktijken. Of het soelaas biedt? Het zou een wonder zijn.

Intussen gaat het parasiteren op de doden door. Ook als het ‘kinderen van de oorlog’ zijn. In abstracto worden ze op de televisie bejubeld als helden van het moederland. In concreto moeten ook die doden in een ‘levende rij’ wachten op hun laatste eer.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.