Recensie

Recensie Boeken

Een eiland met een muur erom

John Lanchester De Brit John Lanchester schreef de roman De muur over een Groot-Brittannië dat ommuurd is, om invloeden van buitenaf tegen te gaan. Lanchester kán een spannende dystopie schrijven, al blijkt dat pas laat.

Illustratie: Max Kisman

Er staat een muur om Engeland heen, een hoge, betonnen muur, tienduizend kilometer lang. Dag en nacht wordt die bewaakt door dienstplichtige adolescenten. Het land moet beschermd worden tegen ‘de Anderen’, die over zee naderen ‘met roeiboten en rubberen reddingsvlotten, op opblaasbanden, in groepen en in drommen en in paren’. Dit is de dystopische wereld van De muur, de nieuwe roman van John Lanchester (1962). Er is een Omwenteling geweest, de zeespiegel steeg, net als de temperatuur, elk individu is gechipt. Iedereen die iets te verdedigen heeft trekt zich terug in zijn eigen wereld en bouwt er een muur omheen.

Eén van de dienstplichtigen die de muur moet bewaken is Joseph Kavanagh, bijgenaamd ‘Droge’. Via zijn ogen maken we kennis met de betonnen barrière die het land moet beschermen. Koude nachten, wachtlopen, verveling, hiërarchie – Joseph deelt het ons allemaal mee.

Dat is dan ook het probleem van het eerste deel van De muur: Joseph vertelt meer dan hij meemaakt, soms is het net of hij citeert uit een voorlichtingsfolder over de muur en de samenleving die het ding heeft opgetrokken. Hij is vooral de spreekbuis voor Lanchester die zijn lezers een duidelijk beeld van zijn dystopie wil geven. Dat beeld krijgen we dan ook (de generatie van Joseph staat niet te springen om kinderen in de wereld te brengen en verwijt de vorige generatie dat ze er een puinhoop van heeft gemaakt), maar dat gaat wel ten koste van het verhaal, en de personages.

Vooral dat laatste is jammer, want als er dan eindelijk dingen staan te gebeuren, kan het lot van Josephs collega’s je weinig meer schelen. Er is liefde, dood en verraad maar het raakt je nauwelijks, omdat je de betrokkenen niet goed hebt leren kennen; zelfs het meisje op wie Joseph verliefd wordt, Hifa, blijft niet veel meer dan een schim.

Het is net of die metaforische muur Lanchester beperkt heeft bij het schrijven van zijn roman, alsof het al te duidelijke beeld voor behoudzucht en angst een te zwaar stempel op zijn verhaal drukt. De symboliek ligt er dik bovenop, het gebruik van wel erg simpele en schematische termen als ‘de Anderen’ en ‘de Omwenteling’ spreekt boekdelen. De wereld van De muur is niet de wereld van Joseph, het is de wereld die Lanchester voor Joseph heeft geschapen om ons iets duidelijk te maken. Zo worden Joseph en zijn collega’s niet meer dan zetstukken.

De roman wordt een stuk beter als de locatie van de muur wordt verlaten en Joseph en een aantal anderen (onder wie Hifa) voor straf naar zee worden verbannen. Meteen krijgt het verhaal (letterlijk) vaart, en de lezer veert op. De bannelingen sluiten zich aan bij een gemeenschap die probeert te overleven op drijvende vlotten, na een gruwelijke overval door zeerovers weten Joseph en Hifa een verlaten booreiland te bereiken dat toch niet helemaal verlaten blijkt te zijn.

Goede, filmische locaties, mooie scènes, oplopende spanning, Lanchester kan het dus wel, maar het komt een beetje laat en is te snel voorbij. De tweede helft van het boek had best een stuk dikker gemogen, en de eerste wat dunner. En zo is De muur vooral een gemiste kans. Wanneer Lanchester erin was geslaagd om van de dystopie en het spannende verhaal één overtuigend geheel te maken, met personages die je bijblijven, was zijn roman een beter boek geweest.