Harm Mooibroek

De tank in, samen met de Duitsers

Defensie In Noord-Duitsland is een tankeenheid gelegerd met Duitse én Nederlandse militairen. Het begin van een Europees leger?

Langs een bosrand bij Bergen, in het noorden van Duitsland, staan vier gevechtstanks met ronkende motoren. Het zijn Duitse tanks, met Duitse bemanning, onder Nederlands commando.

De bemanningen – een bestuurder, een schutter, een lader en een commandant – hebben ’s morgens vroeg hun gezichten met verschillende tinten groen geschminkt. Op deze heldere, koude voorjaarsdag nemen ze deel aan een oefening op een militair oefenterrein anderhalf keer zo groot als de Haarlemmermeerpolder. Ook kleine en grote Nederlandse pantservoertuigen, mortieren en ander geschut worden ingezet.

„Tanks kunnen voorwaarts”, zegt de Nederlandse majoor Severino Renfrum die de operatie leidt in zijn veldtelefoon – en luidruchtig zetten de gevaartes, kanon vooruit, zich in beweging. Stofwolken achter zich latend dreunen ze door de vlakte vol kuilen en heuveltjes. Vanaf een afgesproken positie nemen ze met donderend geweld grote schijven die als doelwit dienen onder vuur: een steekvlam, een enorme knal, de lucht en de bodem trillen, in de verte stuift een pluim zand op.

De Nederlandse majoor staat op een heuveltje op zo’n honderd meter van de tanks tevreden toe te kijken. „Indrukwekkend”, verzucht hij, als de laatste klap is weggestorven. „En belangrijk om mee te maken voor de Nederlanders die aan deze operatie deelnemen.” Nederland heeft zelf geen tanks meer, sinds het kabinet in 2011 besloot ze allemaal te verkopen – als bezuiniging en omdat de politiek dacht dat ze toch niet meer nodig zouden zijn.

Harm Mooibroek

Hier vlakbij, op een groot kazerneterrein in Loheide, is sinds 2015 het meest verregaande voorbeeld te vinden van praktische militaire samenwerking tussen twee Europese landen: een Duitse tankeenheid met gemengde Duits-Nederlandse samenstelling. Het 414-Tankbataljon, waarvan de Leopard-2-tanks op het oefenterrein deel uitmaken, bestaat uit drie Duitse compagnies en één Nederlandse, met zo’n 350 Duitse en 100 Nederlandse militairen.

Het Panzerbatallion 414, zoals het in Duitsland heet, valt onder een Nederlandse brigade (de 43ste gemechaniseerde brigade in Havelte), die op haar beurt weer onder bevel staat van een Duitse divisie (de 1ste pantserdivisie in Oldenburg).

Wie van symboliek houdt hoeft in Bergen niet ver te zoeken. Op nog geen twee kilometer van het kazerneterrein waar Duitse en Nederlandse militairen nu dag-in-dag-uit samenwerken, ligt het voormalige nazi-concentratiekamp Bergen-Belsen. Meer dan 70.000 gevangenen, onder wie Anne Frank, haar zus Margot en andere Nederlandse Joden, kwamen daar in erbarmelijke omstandigheden om het leven.

Nu is het voormalige kampterrein een stemmige gedenkplaats met een museum dat de gruwelen die er plaatsvonden toont met foto’s, films en historische documenten en getuigenissen. Op vier mei nemen Nederlandse militairen er samen met Duitse collega’s deel aan herdenkingsplechtigheden.

Een echt Europees leger

Bij de samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse manschappen speelt de oorlog geen rol meer, verzekert de 26-jarige Duitse tankbestuurder Jann, die net als zijn collega’s niet met zijn achternaam in de krant wil. „Dat gaat inmiddels over drie generaties vóór ons. Ik hoor er zelfs geen onaangename grappen over van de Nederlanders.”

Dienen onder een commandant uit een ander land ziet hij niet als probleem. „We verdedigen niet alleen ons eigen land, we verdedigen Europa. Geen land kan nog alleen voor zijn defensie zorgen.”

De voertaal binnen het bataljon is Duits, daarbuiten, bij grotere operaties, Engels. „Vooral de technische vaktermen in het Duits zijn lastig”, zegt de Nederlandse tankbestuurder Dion (23). „Als je hier komt krijgt je er een speciale taalcursus van drie weken voor.”

De Franse president Macron pleit voor een Europees leger. De Nederlandse regering voelt er niets voor, maar bondskanselier Merkel heeft zich voorzichtigjes achter Macrons plan geschaard – „we moeten werken aan de visie om ooit ook een echt Europees leger op te richten”, zei ze in november. Kan de nauwe samenwerking tussen delen van het Duitse en het Nederlandse leger stilletjes de opmaat zijn voor een Europees leger?

Nederlanders zijn impulsiever, improviseren meer

„Het kan een model voor Europa zijn, we moeten deze kant op”, zegt Carlo Masala, hoogleraar internationale politieke aan de Universiteit van de Bundeswehr in München. „Maar ik bedoel niet dat we moeten streven naar een Europees leger dat onder bevel staat van een of ander uitvoerend orgaan in Brussel. Ik ben voor iets anders, dat ik ‘een leger van Europeanen’ noem. Daarbij hebben landen nog wel hun eigen krijgsmacht, maar onderdelen daarvan integreren ze, zoals Nederland en Duitsland dat doen.”

Hans-Peters Bartels, die als ‘Wehrbeauftragte’ namens de Bondsdag toezicht houdt op de strijdkrachten, noemt de integratie van Duitse en Nederlandse militaire eenheden „een laboratorium voor Europese defensiesamenwerking”. Initiatieven als het gemengde Duits-Nederlandse tankbataljon ziet hij als „eilandjes” in de wereld van Europese veiligheid- en defensieorganisaties. „Er moeten meer van die eilandjes komen, en ze moeten groter worden.”

Maar, voegt Bartels daar aan toe, „dit kunnen we niet met ieder land. Frankrijk bijvoorbeeld heeft een hele andere strategische cultuur dan Duitsland. De Fransen willen soms op eigen houtje optreden. Terwijl Nederland en Duitsland nooit alleen op een missie gaan, maar altijd binnen de NAVO, met de EU of in een andere multinationaal verband. Dat vinden wij politiek wenselijk, en zulke samenwerking is ook financieel aantrekkelijk.”

Harm Mooibroek

Nederland kan dankzij de samenwerking met het grote buurland Duitse tanks leasen en de kennis en ervaring met het opereren met tanks op peil houden, in afwachting van eventuele aanschaf van toch weer eigen tanks. Want nu de NAVO zich weer minder richt op operaties ver buiten het eigen grondgebied en meer op verdediging van de eigen lidstaten in het oosten van Europa, zijn tanks weer gewild materieel. Op de uitgestrekte Duitse oefenterreinen kan bovendien met zwaar geschut geschoten worden, wat in Nederland niet mogelijk is.

In de dagelijkse praktijk stuiten Nederlanders en Duitsers wel op cultuurverschillen, die tot irritaties kunnen leiden. „Wij Duitsers zijn bijvoorbeeld strikter in het navolgen van voorschriften dan de Nederlanders”, zegt Durte (25), een vrouwelijke schutter op een tank.

Nederlanders van de Luchtmobiele Brigade die gelegerd zijn bij de Division Schnelle Kräfte in Stadtallendorf, in Hessen, kunnen ook meepraten over de cultuurverschillen. „In discussie gaan over een bevel is in het Duitse systeem not done”, zegt majoor Willem, die werkt als planner bij de geneeskundige dienst, over het contrast met de lossere omgangsvormen bij de Nederlandse krijgsmacht.

„Ook werken ze hier in Duitsland nog met een prikklok, dat zijn we in Nederland totaal niet gewend. En Duitse collega’s doen alles nog op papier, met stempels en handtekeningen. Nederlanders opereren meer op basis van vertrouwen.”

Dat er ook praktische problemen zijn, ondervindt zijn collega Chris, luitenant-kolonel op de afdeling planning. Hij heeft twee computerterminals op zijn bureau staan, omdat het Duitse en het Nederlandse netwerk niet met elkaar kunnen communiceren en het internet niet veilig wordt geacht.

„En Duitsers zijn formeler en hiërarchischer ingesteld”, zegt brigade-generaal Hans Hoogstraten, de Nederlandse plaatsvervangend commandant van Division Schnelle Kräfte. „Nederlanders zijn impulsiever, improviseren meer.”

Harm Mooibroek

Scheve ogen

De hoogste Nederlandse militair die met één been in het Duitse leger staat, is luitenant-generaal Michiel van der Laan, nog tot 9 mei commandant van het 1e Duits-Nederlandse Legerkorps in Münster. Voor zijn bezoek mag gaan zitten, wil Van der Laan eerst even een grote foto aan de muur van zijn werkkamer laten zien.

Op de foto, uit 1995, staan toenmalig bondskanselier Kohl en premier Kok, bij de officiële oprichting van het Duits-Nederlandse Legerkorps. „Zes jaar na de val van de Muur hadden zij al de moed en de visie om deze stap te zetten.”

Van der Laan, die tegen het eind van de Koude Oorlog in het Duitse Seedorf was gelegerd, later in Hamburg een vervolgopleiding voor hoge officieren volgde en nu voor de derde keer in Münster is geplaatst, is met zijn loopbaan zo’n beetje de belichaming van de Duits-Nederlandse militaire samenwerking.

„Toen de Koude Oorlog voorbij was, had de NAVO behoefte aan snel inzetbare hoofdkwartieren voor missies buiten het grondgebied van de lidstaten. Wij hebben daar in Afghanistan drie keer voor kunnen zorgen, in 2003, 2009 en 2013.”

We verdedigen niet alleen ons eigen land, we verdedigen Europa

De nationale politiek heeft nog altijd zeggenschap over de inzet van de eigen militairen, benadrukt hij, de soevereiniteit is niet in het geding. „We zullen altijd in staat zijn om nationaal te opereren. De besluitvorming in Den Haag en Berlijn verloopt verschillend. Voor gezamenlijke missies heeft dat nooit problemen opgeleverd.”

Ingewikkeld is de samenwerking soms wel, vooral vanwege de uiteenlopende nationale regels die scheve ogen kunnen opleveren, bijvoorbeeld bij de arbeidstijden. „Als je terugkomt van een gezamenlijke oefening zijn de Duitsers verplicht een week verlof op te nemen. Nederlanders krijgen de tijd dat ze op oefening zijn geweest financieel gecompenseerd. Dat moeten we harmoniseren.”

En de culturele verschillen? „Elkaars cultuur moet je niet proberen te veranderen. De cultuur verandert wel, maar niet door jou”, zegt Van der Laan. „In Nederland bestaat de militaire groetplicht niet meer, maar ik zie dat Nederlanders die op missie zijn geweest toch weer groeten.”

Op het militaire oefenterrein in Bergen wordt de operatie halverwege de dag een uur stil gelegd – tot ergernis van de Nederlandse majoor Renfrum. „Er is hoog bezoek van enkele generaals”, zucht hij ter verklaring. „De Duitsers hadden het liefst de hele dag in het teken van dat bezoek gesteld. Wat ons betreft hoeft dat niet zo nodig. Ik ben blij als we straks weer verder kunnen met onze oefening.”

Harm Mooibroek