De man die de hele wereld liet schilderen

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Dan Robbins (1925-2019) bedacht het schilderen op nummer. Zijn inspiratie was Leonardo da Vinci.

Zelfportret van Dan Robbins, genummerd volgens zijn eigen schildermethode.
Zelfportret van Dan Robbins, genummerd volgens zijn eigen schildermethode. Foto’s AP, iStock

In miljoenen huizen wereldwijd sieren zelfgemaakte schilderijen van een hert, een groep kittens of de Matterhorn de wand. Eerder deze maand overleed Dan Robbins, de geestelijk vader van het ‘schilderen op nummer’ dat de makers in staat stelde deze werken te vervaardigen. Robbins beloofde dat „ieder mens een Rembrandt” kon zijn.

Het schilderen op nummer gebeurde met kant-en-klare sets en was in Nederland vooral vanaf de jaren zeventig populair. De dozen bevatten een kwast en witte vellen papier met lichtblauw- of grijsomrande vakken, waarin nummers stonden. Ieder nummer stond voor een bepaalde verfkleur, meegeleverd in tien minipotjes. Door de juiste kleur in de vakjes aan te brengen, kwam het kunstwerk tot stand.

Aan de grondslag van de methode lagen commerciële, geen artistieke motieven. Na in de Tweede Wereldoorlog te hebben gediend op de kaartenafdeling van het geniekorps van het Amerikaanse leger, trouwde Robbins en ging hij werken bij Palmer Paints. Voor dit verfbedrijf ontwierp hij onder andere kleurboeken voor kinderen. Zijn baas Max Klein vroeg Robbins een kleurboek voor volwassenen te ontwerpen, in de hoop de verkoopcijfers op te krikken. Hoewel dergelijke boeken de laatste jaren in menige boekhandel het best verkochte product zijn, zag Robbins destijds niets in het concept.

Maar Kleins idee zette de jonge grafisch ontwerper toch aan het denken. Robbins had iets gelezen over Renaissanceschilder Leonardo Da Vinci. Die zou op de achtergrond van veel van zijn schilderijen cijfers hebben aangebracht in vakken, die hij vervolgens liet inkleuren door zijn leerlingen. Snel ontwierp Robbins een vakjespatroon waarmee mensen zelf een kubistisch stilleven konden schilderen.

Max Klein was enthousiast over het idee, maar minder te spreken over het ontwerp. Dat vond hij „te arty”.Hij beval Robbins met leukere ontwerpen te komen: landschappen, katten, puppy’s en paarden. Robbins ging akkoord, maar vergat zijn inspirator niet. Hij maakte een schilderen op nummer-set van Da Vinci’s Het Laatste Avondmaal, dat wereldwijd de bestverkochte set werd.

De invuloefeningen waren snel gemaakt, maar het verpakken en meesturen van de verf vormde een uitdaging. De oplossing kwam toen Robbins vijftigduizend lege gelatinepotjes bestelde en die samen met zijn vrouw handmatig met verf vulde. Dat deden ze met een vetspuit tijdens het tv-kijken, zo schreef Robbins’ kleindochter Sarah vorig jaar in een artikel.

De sets sloegen aan in de Verenigde Staten, waar in de jaren vijftig meer dan 20 miljoen exemplaren werden verkocht. Kopers zonder schildertalent genoten ervan dat ook zij nu het plezier van het schilderen konden ervaren; mensen die wat avontuurlijker wilden opereren, konden spelen met de kleuren. Ook voor kinderen was het een leuke vrijetijdsbesteding. Dat de schilderopdrachten uit een simpel stappenplan bestonden, had bovendien een rustgevend effect op de kunstenaars-in-wording.

„We vonden het leuk om te zeggen dat pa de meest tentoongestelde kunstenaar ter wereld was”, zei zoon Larry Robbins in een gesprek met persbureau AP. „Hij had een hele doos met brieven van fans.”

Toen de schildertrend over zijn hoogtepunt heen was, ging Robbins verder met design. Zo ontwierp hij meerdere Happy Meal-speeltjes voor McDonald’s.

Het enthousiasme voor het schilderen op nummer stond in schril contrast met de reacties van kunstcritici, zowel in de Verenigde Staten als in Europa. „Wie bevrijdt ons van deze mensen, of moet ik zeggen: idioten”, schreef een Amerikaanse kunstcriticus over het „inkleuren van gedicteerde vormen”. De communistische krant De Waarheid noemde de sets in 1979 „geestdodende vrijetijdsbesteding” en stelde dat je de voorstellingen „net zo goed direct in de winkel kunt kopen”. Grafisch ontwerper Lies Ros sprak in dezelfde krant van een „verschrikkelijk soort betuttelen”.

Toch wist het schilderen op nummer zijn weg naar de echte kunstwereld te vinden. In de regeerperiode van president Eisenhower (1953-1961) werden met de methode vervaardigde werken in het Witte Huis gehangen. De Amerikaanse kunstenaar Andy Warhol verwerkte de trend in enkele van zijn schilderijen en Brit Damien Hirst bracht in 2001 zelfs een eigen schilderen op nummer-set op de markt. In datzelfde jaar organiseerde het Smithsonian in New York een goed bezochte overzichtstentoonstelling van op nummer geschilderde werken.

Dan Robbins liet de kritiek van zich afglijden. „Ik heb nooit beweerd dat schilderen op nummer kunst is”, schreef hij in zijn in 1998 verschenen boek. „Het is het ervaren van kunst en het schenkt die ervaring aan iemand die normaal nooit een kwast zou opnemen en in de verf dopen. Dáár gaat het om.”

En, bescheiden, zei hij: „Het was niet mijn idee, maar dat van Leonardo.”