Opinie

Wisselen

Ellen Deckwitz

Onlangs stuitte ik in mijn ouderlijk huis op een gouden ring waarin, dat dacht ik althans, een stukje ivoor was gezet. Verontrust vroeg ik mijn ouders naar hun verleden als stropers. „Nee joh, dat is een van mijn melktanden”, zei mijn moeder, „dat ringetje heeft mijn grootmoeder laten maken. Ik was het eerste kleinkind, ze had niet verwacht dat haar familie de oorlog zou overleven, laat staan dat er nog een nieuwe generatie zou komen.”

Ze schoof het kleinood aan haar vinger.

„Ik had niet gedacht om ooit nog een tand van mezelf te zien.”

„Hoezo”, vroeg ik, „heb je je volwassen tanden niet bewaard toen je je kunstgebit kreeg?”

„Natuurlijk niet, dan zou ik de hele tijd verdrietig zijn dat ze in een doosje zaten, in plaats van in mijn mond.”

„Ik weet niet eens of je ze mag bewaren”, zei mijn vader. Wij ook niet en dus belden we de tandarts, want er zijn nou eenmaal dingen die je gewoon wilt weten.

„Ja natuurlijk mag de cliënt haar tanden mee naar huis”, zei de tandarts, „ze heeft ze toch zelf gemaakt of niet dan.”

„En wat doen jullie wanneer de klant ze niet wil houden?”

„Dan gaan ze naar studenten tandheelkunde.”

„Nou ja, dan gebeurt er nog iets mee”, zei mijn moeder.

Die avond zat ze peinzend op de bank.

‘Ik blijf maar denken aan het moment waarop ze werden getrokken”, mompelde ze. Ik ook. Ik had haar nog nooit zo hard zien huilen. Ze kwam bleek thuis, haar mond beurs door de kracht waarmee de kiezen waren verwijderd. Ze verdroeg twee dagen lang geen vast voedsel, ik heb mijn moeder nog nooit zo veel bananen gevoerd als toen.

Ze keek naar de ring.

„Wat vreemd eigenlijk”, zei ze, „dat van het wisselen van melktanden zo’n feestje wordt gemaakt. Ik weet nog wel hoe trots ik was toen ik mijn eerste eruit had. Ik moest hem verstoppen onder mijn hoofdkussen, en de volgende dag vond ik daar een rijksdaalder. Het kwijtraken van je melktanden is winst, die van volwassen tanden verlies.”

Ook ik was dolgelukkig toen ik mijn eerste melktand eruit had gepeuterd. Eindelijk van dat wiebelende ding af. Je bloedde en dat zag er stoer uit. En dan was er ook nog eens het intieme genoegen om dat verse gat met je tong te betasten. De zilte ijzeren smaak die de wond nog dagenlang afgaf en je met een gevoel van triomf vervulde. Je had geleden en het overleefd. Nu zou het echte leven beginnen. Dat waren zachte jaren, waarin verlies geen verdriet opleverde, maar simpelweg de belofte van groei inhield.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.