Recensie

Recensie Muziek

Vijf keer Bachs ‘Johannes Passion’, welke is de beste?

Klassieke muziek Bachs Johannes Passion is in opmars. Zo’n zestig klonken er dit jaar, NRC bezocht er vijf. Van een scenische uitvoering door piepjonge zangers tot Schumanns „herontdekking” uit 1851.

Het lijdensverhaal werd in semi-scenische uitvoering nagespeeld bij de ‘Johannes Passion’ in de IJ-salon
Het lijdensverhaal werd in semi-scenische uitvoering nagespeeld bij de ‘Johannes Passion’ in de IJ-salon Emelie Schäfer
    • Mischa Spel

Pontius Pilatus stelde de vraag zelf al: „Wat is waarheid?” Is er, bij voorbeeld, één beste uitvoering van Bachs Johannes Passion denkbaar, of hebben parallelle uitvoeringstradities – grote of kleine bezetting, authentiek of minder – alle eigen charmes en bestaansrecht?

Bachs Johannes ging lang gebukt onder de slagschaduw van de omvangrijkere, latere, devotere, aria-rijkere en beroemdere Matthäus Passion. Maar de laatste jaren is er een terechte kentering gaande, die dit jaar culmineerde in 57 uitvoeringen.

IJ-salon

De eigenwijze IJ-salon, „speeltuin van de musici van het Concertgebouworkest”, orkest-academisten en bevriende musici, bood in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ een semi-scenische uitvoering. Van „re-enactments” van het lijdensverhaal moet je houden, maar dit bleek een opvoering die niet de aandacht trok om de (ingetogen) regie, maar om de 35 zangers van het Nationaal Gemengd Jeugdkoor (16-30 jaar). Zij zongen de passie vlekkeloos uit het hoofd, en zorgden er met hun energie en jeugdige timbres voor dat het flitsende, theatrale en meeslepende karakter van de Johannes op een natuurlijke manier werd uitvergroot.

Orkest van het Oosten

De meest curieuze uitvoering was die door het Orkest van het Oosten, dat met dirigent Ed Spanjaard koos voor de 19de-eeuwse orkestratie van Robert Schumann (1851) - zonder barokinstrumenten, maar mét (o.a.) klarinetten. Hoewel Schumann weinig ingreep op Bachs noten, bleek zijn versie vol desoriënterende momenten - de continuo-begeleiding op 19de-eeuwse piano voorop. De verdubbeling van de sopraanlijn door tien knapen klonk charmant, vooral in het tedere slotkoraal Ach Herr, lass dein’ lieb’ Engelein. Ook mooi: de door Eva Susliková fraai gespeelde altvioolsolo (in plaats van viola da gamba) in Es ist vollbracht. En juist die aria bleek hier meervoudig memorabel, omdat het geëxalteerde B-deel (‘Der Held aus Juda siegt mit Macht!’) lekker on-authentiek werd begeleid door twee trompetten, alsof het een Händeliaanse overwinningsaria betrof. In Zerfliesse, mein Herze pakte sopraan Judith van Wanroij uit met groot vibrato, zoals dat in Schumanns tijd ook ging. Maar het resultaat klonk nauwelijks onwennig; een groot deel van de Nederlandse passietraditie door grote oratoriumkoren ís in wezen immers nog romantisch.

William Christie

Ook de „authentieke” uitvoeringen van Bachs passies kunnen onderling enorm verschillen. William Christie (74), zo’n veertig jaar geleden een van de pioniers van de historische beweging, debuteerde dit jaar voor het Koninklijk Concertgebouworkest, dat zijn passies wel speelt met onder meer barokke strijkstokken.

Christies debuut werd er een met uitroeptekens: sneller zal het openingskoor Herr, unser Herrscher zelden geklonken hebben, helaas met alle vertroebelingen vandien. Toch bleek gaandeweg dat Christie wel opereerde vanuit een streng doordachte dramaturgie. Door recitatieven en koralen vaak snel en zonder adempauzes in elkaar te laten overlopen realiseerde hij een aanhoudend theatrale sfeer van tumult en benadrukte de hetzerige toedracht van Christus’ executie. Op sleutelposities in de passie vertraagde hij vaart en was er, net als na de Kruisiging, ruimte voor strak getimede verstilling.

Orkest van de 18de Eeuw

Interessant was het Christies hypercontrole te vergelijken met Daniel Reuss bij het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam – in ensemblecultuur het sterkste van de koren binnen deze vergelijking, al was het maar om de manier waarop ze de harmonieën in In meines Herzens Grunde lieten opgloeien als kooltjes.

Anders dan Christie is Reuss gepokt en gemazeld in Bach en diens theologische grondslagen. Zijn relaxte leiding verraadde dan ook geen gebrek aan betrokkenheid, maar het tegenovergestelde: de soevereine lage schouders van iemand die elke wending kent en vanuit die kennis ook veel durft te laten opbloeien vanuit de musici zelf. En, opmerkelijk, juist dan ontstaat ook ruimte voor ontroering. Zoals in het openingskoor, hier gedragen door een kalme puls die het deemoedige tekstkarakter onderstreepte tot, tegen het slot, omineus herhaalde noten in de cello klonken als een hart dat bonkend voorziet dat er bloed zal vloeien. Had Reuss de geweldige solisten gehad die door het Concertgebouworkest waren geëngageerd, met de sublieme evangelist Reinoud van Mechelen als dé ontdekking van het jaar, dan was hij in de buurt gekomen van een droomuitvoering.

Vox Luminis

In de buurt van een ideaal, zij het een ander, kwam ook de uitvoering door vocaal ensemble Vox Luminis van bas Lionel Meunier en barokorkest Café Zimmermann. Zij werkten zonder dirigent en in een (volgens sommigen authentieke) minimale bezetting van een evangelist en twaalf zangers.

Het welslagen van die werkwijze hangt natuurlijk volkomen af van de kwaliteit van de musici en de zangers – die hier allen overtuigend en fris klonken, ook in de ritmisch lekker scherp genomen schreeuwkoortjes. Ook de instrumentalisten trokken de aandacht door eigenheid en betrokkenheid. Zoals cellist Petr Skalka met een ongehoord venijnig loopje Petrus zo, hop, het paleis van de hogepriesters induwde, zo hoorde je het nooit eerder.