Opinie

    • Herman Vuijsje

Twijfel niet aan de intenties van Armando

Een kunstenaar mag refereren aan de Holocaust zonder deze expliciet te veroordelen, schrijft .

Foto HH
Foto HH

Bestonden er goede SS’ers? Over die vraag raakten twee ooms van mij gebrouilleerd. De een, die ternauwernood Auschwitz overleefde, geloofde niet in een goede SS’er. De ander, die met hulp van een Nederlandse SS’er aan deportatie wist te ontkomen, wel. Ook de vorig jaar overleden kunstenaar Armando kende een goede SS’er. Het was zijn neef Dick, „een hele aardige jongen, die ik vreselijk bewonderde natuurlijk toen ik een jaar of tien was”, zoals hij in een interview zei. Maar ook op latere leeftijd had Armando nog sympathie voor zijn neef. Hij droeg zijn in 1967 verschenen boek De SS’ers aan hem op.

Armando, opgegroeid in de schaduw van het Duitse straf- en doorgangskamp Amersfoort, had iets met geweld. Hij cultiveerde een gewelddadig imago en liet zich portretteren met wapentuig. „Macht ziet er prachtig uit en is tevens weerzinwekkend”, vond hij en zijn laatste project was getiteld ‘De schoonheid van het kwaad’.

Afgelopen zondag zou hij in Kamp Amersfoort, nu een nationaal monument, worden herdacht door kunstenaars Oleg Lysenko en Cherry Duyns. Antifascistische organisaties en oud-verzetsstrijders roerden zich: zij betichten Armando van SS-sympathieën. De voorstelling werd op de valreep „om technische redenen” afgelast.

In De SS’ers, geschreven in samenwerking met Hans Sleutelaar, liet Armando Nederlandse oud-SS’ers aan het woord, zonder enig commentaar van de auteurs. „Als je je vijand wilt bestuderen, moet je hem eerst maar eens even aanhoren”, zei Armando erover. Hij was nieuwsgierig naar hun drijfveren, wilde begrijpen hoe mensen zo ver konden komen. Dat getuigde van moed en hij was er z’n tijd ver mee vooruit.

Zijn leven lang was Armando een belangrijk ‘ambassadeur’ van Kamp Amersfoort en hielp hij de herinnering aan de gruwelen die er plaatsvonden levend te houden. De 4 mei-herdenking sloeg hij nooit over. Nee, Armando had géén sympathy for the devil. Hij was alleen door hem gefascineerd.

Lees ook: De vriendelijke bouten van Armando

Dat desondanks opschudding is ontstaan over zijn intenties, staat niet op zichzelf. Het is onderdeel van de jaarlijkse advent naar de vierde mei. Diezelfde vraag – mag je refereren aan de Holocaust zonder daarbij expliciet en nadrukkelijk een veroordelend kader aan te brengen? – speelt rond de videoclip Deutschland van de Duitse hardrockband Rammstein. Daarin wordt een geschiedenis getoond van bloeddorst en doodsdrift, van vlam en vuur waarin boeken worden geworpen, en daarna mensen. Ook hiertegen kwamen instanties in het geweer.

En in de Volkskrant van 29 maart herinnerde acteur Jules Croiset aan een eerdere discussie over hetzelfde onderwerp. In 1987 dreigde Rainer Werner Fassbinders toneelstuk Het vuil, de stad en de dood in Nederland te worden opgevoerd. Croiset probeerde dat te verhinderen door zijn eigen ontvoering door antisemieten in scène te zetten.

Ook dit toneelstuk riep protesten op omdat het antisemitisch zou zijn. En ook in dit geval was dat bezwaar onterecht. In Het vuil… kwamen antisemitische uitspraken voor, maar op de strekking van het stuk viel niets aan te merken. Het was gericht tegen de filosemitische tendensen die in Duitsland de kop opstaken uit schuldgevoel over de massamoord. Ook filosemitisme, waarbij joden dingen worden toegestaan die anderen verboden zijn, heeft gevaren in zich, was de waarschuwing van Fassbinder.

Ook Philipp Jenninger werd weggezet als antisemiet

Een soortgelijke affaire kostte in 1988 de Duitse Bondsdagvoorzitter Philipp Jenninger de kop. Bij de vijftigjarige herdenking van de Kristallnacht citeerde hij een reeks grove nazi-uitspraken. Hij maakte daarbij ondubbelzinnig duidelijk dat hij een reconstructie beoogde te geven van de opkomst van een gedachtegoed dat hij verafschuwde. Het mocht niet baten. Ook Jenninger werd weggezet als antisemiet, hij moest aftreden. De Nederlandse tekstwetenschapper Titus Ensink schreef er een boek over en vergeleek de verontwaardigde parlementsleden met domme toneelbezoekers die na de voorstelling de acteur die de boef speelt op een pak rammel trakteren.

Armando, Rammstein, Fassbinder en Jenninger – allemaal wilden zij evoceren: een waarheidsgetrouw beeld oproepen van de volkenmoord en zijn gevolgen. Om te evoceren moet je de feiten laten zien. Alleen dan kun je die reconstrueren, analyseren, interpreteren en bekritiseren. Keer op keer worden de vertolkers van die feiten ten onrechte vereenzelvigd met daders en sympathisanten.

Wat is een geschikte plek voor provocatie?

Maar betekent dit nu ook dat hun evocaties altijd en overal publiek gemaakt moeten worden? De discussie over Armando zet aan tot nadenken over die vraag. Armando leverde een prijzenswaardige bijdrage aan het maatschappelijk debat over de oorlogsherinnering. Maar hij was óók een kunstenaar, die graag provoceerde en in zekere mate koketteerde met zijn betrokkenheid bij die herinnering.

Kan op een plek als Kamp Amersfoort iemand worden geëerd die getuigde van sympathie voor een SS’er? Zeker zo lang er nog mensen leven die daar familie hebben verloren lijkt dat me niet vanzelfsprekend. De voorstelling gaat dit jaar alsnog door – in een theater. Een goede plek voor het eren van een provocerend kunstenaar.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.