Historicus Gerard Aalders: ‘Ik beweer nooit zomaar iets’

Oorlog In zijn deze week verschenen memoires doet Gerard Aalders verslag van de 17 jaar dat hij bij het NIOD de oorlog en zijn naweeën onderzocht.

Gerard Aalders publiceerde over brisante onderwerpen, zoals het oorlogsverleden van prins Bernhard.
Gerard Aalders publiceerde over brisante onderwerpen, zoals het oorlogsverleden van prins Bernhard. Foto Merlijn Doomernik

Het is een imposant rijtje vijanden. Historicus Gerard Aalders (1946) heeft het in zijn werkzame leven aan de stok gehad met prins Bernhard, premier Wim Kok, oud-minister Jos van Kemenade, NIOD-directeur Hans Blom en koningshuisbiograaf Cees Fasseur. Onder meer – want deze opsomming is niet uitputtend.

Aalders publiceerde over brisante onderwerpen, zoals het oorlogsverleden van prins Bernhard, de roof van het bezit van Joodse Nederlanders en het naoorlogse rechtsherstel. In zijn deze week verschenen memoires Het Instituut. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie als speelbal van Den Haag en koningshuis doet hij verslag van de zeventien jaar (1993-2010) dat hij aan de Amsterdamse Herengracht bij het NIOD (tot 1999 RIOD) de oorlog en zijn naweeën onderzocht.

De eerste heibel ontstond rond de verschijning van het boek De affaire Sanders. Spionage en intriges in herrijzend Nederland. Dit boek ging over Wim Sanders, een verzetsman die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in conflict kwam met de voorloper van de AIVD. Bij onderzoekswerk in Washington was Aalders gestuit op bewijs van het lidmaatschap van prins Bernhard van de NSDAP, de Duitse nazi-partij. „Omdat de prins dat na de oorlog onder het tapijt had geprobeerd te vegen, vond ik dat dit een plaatsje in het boek verdiende”, zegt Aalders. „Dat ging immers over intriges in herrijzend Nederland. Zijn lidmaatschap van SA- en SS-organisaties had Bernhard toegegeven, maar dit niet.”

Wanneer merkte u dat deze beslissing u problemen ging opleveren?

„De toenmalige directeur van het RIOD, Kees Schulten, vond het een prima boek toen ik en mijn co-auteur Coen Hilbrink het in de zomer van 1995 inleverden. Via via ving ik echter op dat men in het bestuur van het RIOD gevallen was over de passages over prins Bernhard. Vooral CDA-oprichter en voormalig Eerste Kamervoozitter Piet Steenkamp zou er moeite mee hebben gehad. Officieel hoorde ik echter niks. Na een paar maanden kwam er een leesrapport van Peter Romijn, mijn directe chef, en Jan Bank, bestuurslid en hoogleraar geschiedenis in Leiden. Daarin stond wat mij betreft zeer summiere kritiek. Naar buiten toe liet men echter uitlekken dat er wetenschappelijk van alles mis was met het boek, en dat wij druk aan het herschrijven waren. Niets was echter minder waar. Ik was allang begonnen met het onderzoek voor mijn volgende boek. Ondertussen kreeg ik wel een spreekverbod opgelegd.

„Uiteindelijk kwam in november het hoge woord eruit. Toen was de ad-interim opvolger van directeur Schulten, die met pensioen was gegaan, al ontboden bij de prins op paleis Soestdijk. Bestuurslid Jan Bank stelde voor de passage over Bernhard aan te passen, en deed daarvoor tekstsuggesties die wat mij betreft onaanvaardbaar waren. Ze waren veel te vergoelijkend. Bank had Willem-Alexander college gegeven en het verhaal gaat dat hij ook toespraken voor Beatrix heeft geschreven. Hij voelde dus een zekere verbondenheid met het koningshuis. Met zijn suggesties heb ik uiteindelijk niks gedaan, omdat er van echte fouten geen sprake was.”

Hiermee was de kou niet uit de lucht.

„Nee, want Wim Kok had gehoord dat er in het boek ook een passage stond over Bernhards banden met dubbelspion Christiaan Lindemans, bekend als King Kong. Hij was boos dat mijn leidinggevenden dit niet hadden verteld tijdens een gesprek met zijn ambtelijke rechterhand. Die boosheid was echter onterecht, want dat Lindemans een vriendje van Bernhard was, had al in een ander boek gestaan. Dat was dus geen nieuws.”

Uiteindelijk is het boek met kleine aanpassingen verschenen. Wat waren uw gedachten aan het eind van deze affaire?

„Mijn vertrouwen in het RIOD had wel een knak opgelopen. Ik meende dat het een organisatie was waar men onafhankelijk wetenschappelijk werk deed. En in de tijd van Loe de Jong, de eerste directeur, was dat ook zo. Die hield zijn poot stijf in conflicten met de buitenwereld. Dat leek nu niet meer het geval.”

Die mening werd voor u bevestigd door een ruzie rondom uw onderzoek naar de roof van Joodse tegoeden en de wijze waarop de Nederlandse staat daar na de oorlog mee was omgegaan.

„Dat klopt. Gedwongen door ophef in de publieke opinie had de politiek in 1997 een onderzoekscommissie ingesteld onder voorzitterschap van oud-politicus Jos van Kemenade. Voor die commissie heb ik een stuk samengesteld over de omvang van de roof en het verloop van de naoorlogse restitutie. Nadat hij dat aanvankelijk had omarmd, ging Van Kemenade er na onthullingen in de pers met gestrekt been tegenin. Hij verzette zich tegen de bedragen die ik, met verwijzing naar bronnen, had genoemd.

„De nieuwe directeur van het NIOD, Hans Blom, was lid van de commissie, en bleef aanvankelijk achter mij staan. Maar toen ik een artikel in NRC Handelsblad had gepubliceerd over de kwestie, liet hij me vallen en koos hij partij voor de vertegenwoordigers van de bank- en verzekeringswereld die in de commissie zaten. Blom ging graag om met de grote jongens, dat vond hij belangrijk. We hebben toen op zijn kamer enorme ruzies gehad, waarbij ik alleen aan het woord kon komen door hard op de tafel te slaan en godverdomme te roepen. Tussen ons is het daarna niet meer goed gekomen.”

Aalders noemt in zijn memoires de in 2016 overleden Leidse hoogleraar Cees Fasseur zijn „liefste vijand”. Fasseur schreef een tweedelige biografie over koningin Wilhelmina en was tevens auteur van een boek over de huwelijkscrisis tussen Bernhard en Juliana. „Fasseur heeft Bernhard geadviseerd mij voor de rechter te slepen in de affaire over de zogenoemde stadhoudersbrief. In mijn boek over de dubbelspionne Leonie Pütz uit 2003 beschrijf ik de geschiedenis van de geruchten over deze brief, waarin Bernhard tijdens de oorlog aan de nazi’s zou hebben aangeboden stadhouder van bezet Nederland te worden. Ik stel echter nergens dat zeker is dat die brief ook daadwerkelijk bestaan heeft. Dat werd me wel aangewreven.

„Mijn probleem met Fasseurs boeken is dat hij altijd wel zo slim was af en toen een cynisch grapje te maken over het koningshuis, maar voor de rest de feiten altijd met een oranje saus overgoot. Ik verwijt hem niet dat hij dingen heeft weggelaten in zijn boeken, maar wel dat hij sommige zaken té luchtig behandelde.”

U verwijt Fasseur dus dat hij bij de feiten een voor de Oranjes zo gunstig mogelijke verklaring zocht. Maar doet u in uw boeken niet precies het tegenovergestelde: elk feit voor de Oranjes zo negatief mogelijk interpreteren, té vergaande conclusies trekken?

„Ik zal niet ontkennen dat ik zo scherp mogelijk aan de wind zeil. Dat is ook een reactie op de overvloedige lofuitingen die de prins ten deel zijn gevallen. Voorop staat wel dat ik me in mijn werk baseer op archiefonderzoek. Ik beweer nooit zomaar iets.

„Hoe je schrijft, heeft te maken met wie je bent. Fasseur was orangist, ik ben republikein. Als je dat weet als lezer, weet je dat je beiden af en toe met een korrel zout moet nemen. Waarmee ik niet wil zeggen dat de waarheid precies tussen mij en Fasseur in ligt. Ik heb wel het gevoel dat ik meer gelijk heb dan hij.”

Ondanks alle tegenwerking die u in uw boek beschrijft, heeft u uiteindelijk toch altijd kunnen schrijven wat u wilde?

„Dat is waar, maar dat was regelmatig niet dankzij, maar ondanks het NIOD. Wat ik tekenend vind: op de NIOD-website staat een pagina met daarop belangrijke boeken die door medewerkers zijn gepubliceerd. Daar is dus geen boek van mij te vinden, terwijl mijn trilogie over roof en rechtsherstel toch echt hoog staat aangeschreven. Dat vind ik erg zielig van het instituut.”

Gerard Aalders: Het Instituut. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie als speelbal van Den Haag en koningshuis. Just Publishers. 288 blz. € 22,50