Hoe kun je?

schrijft columns gebaseerd op haar ervaringen als huisarts in Nieuw-Zeeland

Hij loopt niet, hij stuitert. En vandaag stuitert J. met nog net iets grotere sprongen. Zodra hij de spreekkamer binnen is gekomen, springt hij op de weegschaal. „59! Shit! Toch weer drie kilo verloren.” En meteen begint hij te vertellen hoe gamen zijn leven heeft overgenomen de afgelopen maanden. Hij speelt zo’n veertien uur per dag en denkt dat hij er misschien wel geld mee kan verdienen. Hij heeft nauwelijks eetlust en slaapt vijf uur per nacht.

Terwijl hij doorratelt, denk ik aan het artikel dat ik gisteren las over methamfetamine- gebruik, dat hier P. wordt genoemd. Steeds meer mensen in deze regio raken eraan verslaafd, en huisartsen zien het vaak over het hoofd. Omdat we er niet naar durven vragen.

Ik kijk naar J. die druk gebarend doorvertelt en aarzel. J. is met zijn vrouw en vier kinderen van het Noordereiland hierheen gevlucht, nadat zijn broer daar door een vijandige ‘gang’ vermoord was. Hij ziet wekelijks een psycholoog, krijgt therapie voor zijn opvliegendheid en is dit jaar vol overgave aan een studie begonnen, om jongens zoals hij zelf te kunnen coachen.

Ik heb een groot zwak voor J. maar wel zoals je een zwak heb voor het criminele buurjongetje. Zodra hij het gebouw in loopt, beginnen de receptionistes te rillen, de hand bij de alarmknop. Na de zoveelste woedeaanval, wilde de manager hem vorige maand de praktijk uit zetten, maar ik heb hem kunnen overtuigen J. een laatste kans te geven.

Ik raap al mijn moed bijeen: „Gebruik je wel eens drugs om door te kunnen als je moe wordt?” Hij trekt zijn wenkbauwen op, zijn ogen worden groot. „Wát?” Hij schudt zijn hoofd, overdreven langzaam. „Wát vraag je me? Of ik P. gebruik? Na alles wat ik heb meegemaakt? Terwijl ik gezien heb hoe het iedereen in het Noorden kapot maakte? Ik dacht dat je me kende? Ik dacht dat je me vertrouwde?” Hij staat op, beent foeterend de kamer rond. Pas minuten later krijg ik er een paar woorden tussen: „Ik vertrouw je ook. Daarom vraag ik het. En daarmee is het onderwerp voor mij afgesloten.” „Maar wáárom vraag je het?” Zijn ogen lijken vuur te spugen. „Hoe kún je denken…”

Het duurt tien minuten voordat ik hem gekalmeerd heb, waarna we nog met het eigenlijke consult moeten beginnen.

Uitgeput rij ik om half acht naar huis. Eindelijk ontspannen, even niet op mijn woorden hoeven letten. Ik ren naar boven en zie de hond hongerig kijken. „Heeft Hank al eten gehad?”, vraag ik nietsvermoedend. Mijn partner kijkt op van het inruimen van de afwasmachine. „Wát? Wát vraag je? Natuurlijk heb ik dat gedaan! Ik heb gezogen, opgeruimd, eten gekookt. Je kent me toch? Hoe kún je denken…”

Om privacy-redenen zijn herkenbare details aangepast.