Hockey voor 55-plussers: ‘De coach let op dat we niet rennen’

Sport Afhaken omdat je te oud wordt voor een sport hoeft niet. Voor 55-plussers zijn er ‘walking’-variaties van voetbal en hockey en er komen er nog meer.

Walking hockey bij hockeyclub Kromme Rijn in Utrecht.
Walking hockey bij hockeyclub Kromme Rijn in Utrecht. Foto Folkert Koelewijn

Het is een paar minuten voor elf als er beweging komt in de draaideur van de opblaashal. Vier vrouwen lopen al pratend naar binnen. Ze zeggen vriendelijk gedag, grappend vragen ze of de verslaggever – ietwat grijzend, maar net 38 jaar – ook mee wil doen. „We kunnen wel wat mannen gebruiken. We hebben er tegenwoordig nog maar één.”

Jesper Oele, de buurtsportcoach die de training leidt en walking hockey in Nederland introduceerde, beaamt: „Het is lastig om mannen zover te krijgen mee te doen. En dat ligt niet alleen aan het hockey. Vijf jaar geleden kwamen op een proefles walking football ook zeven vrouwen en maar één man af.”

Walking football, een initiatief van het Nationaal Ouderenfonds, is een landelijk succes. Het wordt inmiddels bij meer dan driehonderd clubs aangeboden. Maar niet in Bunnik. En omdat de plaatselijke hockeyclub Kromme Rijn snel groeide, bedacht Oele een hockeyvariant, die wél aansloeg. Nu komen elke week tussen de tien en twintig ouderen op vrijdagochtend naar de hockeyclub.

Een deelnemer van het eerste uur is Janneke Bosschert. Ze heeft haar eigen hockeystick meegenomen. Een antieke, zegt ze. „Die heb ik op de middelbare school nog gebruikt, dus meer dan vijftig jaar terug. De laatste jaren lag hij vooral onder het bed: als wapen. Als er wordt ingebroken, moet je je toch kunnen verweren.”

Bosschert is 79 jaar en daarmee één van de oudsten, maar ze beweegt nog soepel. Ze zwemt één keer per week, doet aan volksdansen en is nu dus elke vrijdagochtend op het hockeyveld te vinden. „Blijven bewegen is op onze leeftijd belangrijk. Ik heb een tijdje getennist met wat andere vrouwen hier, maar we merkten allemaal dat we het niet meer konden belopen. Toen las ik over walking hockey. Ik heb een paar keer meegedaan, het was een feest van herkenning, daarna heb ik tegen de andere dames gezegd dat ze het ook eens moesten proberen.” Inmiddels hoort het tennisgroepje tot de vaste deelnemers.

Op deze vrijdagochtend staan er uiteindelijk negen ouderen op het veld. „De ene week komen er meer dan de andere week”, zegt Oele. „Dat ligt ook aan het weer. Nu kunnen we in de hal trainen, maar volgende week gaan we alweer naar buiten. Dan zal de groep wel weer groter worden.”

Leo van Bijnen (74), momenteel de enige mannelijk deelnemer, komt net voor elven de hal binnenlopen. Hij trekt zijn jas uit, pakt een hockeystick en wandelt het veld op, voor de warming-up: een rondje wandelen en rekoefeningen. Van Bijnen doet het voor, een tel later staat de hele groep een setje squats te doen. Soepeltjes.

Deelnemers JannekeBosschert en Leo van Bijnen. Foto Folkert Koelewijn

Van Bijnen is er net als Bosschert vanaf het begin bij. „Er is hier elk jaar een dag waarop de sportclubs zich kunnen profileren. Ik ging daar even bij een ex-collega kijken, die er namens de handbalclub stond. Naast hem stond iemand van de valcursus van Bunnik Beweegt. Via die valcursus kwam ik in aanraking met het walking hockey.” Van Bijnen had nog nooit gehockeyd. „Maar het leek me goed om weer wat te gaan bewegen. Vroeger deed ik aan tennis, maar daar was ik op een gegeven moment op uitgekeken. Als it’er zat ik op mijn werk ook veel. Daarom probeerde ik veel koffie te drinken, dat deed ik altijd staand.”

Ook om eenzaamheid tegen te gaan

Walking hockey is – net als walking football – niet alleen in het leven geroepen om ouderen aan het sporten te houden. Het moet ook eenzaamheid tegengaan. Uit onderzoek van het Nationaal Ouderenfonds uit 2017 bleek dat één op de vier 55-plussers zich eenzaam voelt. Van Bijnen, die twaalf jaar geleden met de vut ging, vertelt dat hij begin dit jaar zijn moestuintje moest opzeggen, zijn grootste bron van sociaal contact. „Ik kon daar altijd heerlijk praten met anderen. Mijn buren zie ik niet zo vaak, want die werken allemaal.” Hij is gescheiden en woont alleen. „Het hockey zorgt voor gezelligheid, het is een leuke groep.”

Momenteel is hij de enige man in het gezelschap. „Eerst deed mijn overbuurman ook mee,” zegt Van Bijnen, „met zijn vrouw, maar zij zijn verhuisd. We hadden samen een echte mannencompetitie, de buurman kon me soms zo onder de grasmat schuiven. Het gaat er nu gemoedelijker aan toe. De coach let ook op dat we niet rennen. En dat de sticks laag blijven.”

Het fanatisme op het veld doet niet onder voor dat van kinderen die voor het eerst hockeyen. Sommige deelnemers willen graag rennen, al helemaal als er een partijtje wordt gespeeld. „Ik krijg vaak op mijn kop”, zegt Gea Peek (67). „Dan word ik iets te fanatiek. Ik had nog nooit gehockeyd, ik was vroeger handbalster. Maar dat ging op een gegeven moment niet meer. Mijn man zei dat het wel iets voor mij was om walking hockey te doen. Hij had gelijk, ik vind het echt leuk.”

Stiekem wat minder wandelen

Waar de één stiekem rent, wandelt de ander juist expres wat minder. Zo heeft Ans van der Voorn (79) een plekje dicht bij het vijandelijke doel gevonden. „Ik kan de bal zo binnentikken”, zegt ze.

Na een uurtje bewegen zit de training erop. Koffie in de kantine van hockeyvereniging Kromme Rijn volgt. De ouderen zijn geen lid van de club, maar mogen wel gebruik maken van de faciliteiten. Het animo om echt lid te worden is niet groot. „Ik zie mezelf geen biertjes meer tappen bij een bardienst,” zegt Janneke Bosschert. Leo van Bijnen denkt daar anders over: „Het lijkt me best leuk af en toe achter de bar te staan. Ik ben ook met leden van de club meegegaan naar het gemeentehuis, om de wethouder te vragen om een extra kunstgrasveld. Ik vond het prettig iets te kunnen betekenen.”