'Willen terugkeren naar de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw is absurd', zegt politiek filosoof Étienne Balibar.

Foto: Roger Cremers

‘Terugkeren naar de verzorgingsstaat is absurd’

Interview De Europese Unie is zowel onmisbaar als onhoudbaar, aldus de Franse politiek filosoof Étienne Balibar in zijn recente essaybundel. ‘Willen terugkeren naar de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw is absurd’.

Wacht ons de komende weken een Europa-brede strijd tussen pro-Europese progressieven en populistische nationalisten? Zo kijkt de Franse president Emmanuel Macron naar de Europese verkiezingscampagne, die hij begin maart begon met een open brief in 28 Europese kranten. Maar zo simpel is het niet, stelt de Franse politiek filosoof Étienne Balibar. Je hoeft niet aan de kant van de nationalisten te staan om de nodige kritiek op Macrons Europa te hebben. In zijn recent uitgebrachte essaybundel Voor een ander Europa stelt hij: de Europese Unie is zowel onmisbaar, voor de Europese bevolkingen, als onhoudbaar, in haar huidige vorm.

Balibar schrijft al decennia over Europa. Zoals bij wel meer linkse Franse intellectuelen is zijn denken geworteld in het marxisme, en is hij in de loop der tijd anders gaan denken over het belang van democratie en vrijheidsrechten – kwesties die hij, zo geeft hij toe, eerder terzijde schoof. Maar hoewel hij op links ‘extreem intelligente, heldere geesten’ ziet ‘die er vast van overtuigd zijn dat de Europese constructie als zodanig hét obstakel is’ voor modern links sociaal beleid, kiest hij overtuigd voor het Europese project, hoe moeilijk het volgens hem ook is om er iets aan te veranderen.

Balibar spreekt in lange, meanderende zinnen, en lijkt hardop te denken, als hij gezeten op een bankje in een Amsterdams hotel de ogen veelvuldig sluit om te zoeken naar juiste formuleringen. Ik leg hem voor wat Luuk van Middelaar, filosoof en kenner van de Europese politiek, en tevens NRC-columnist, eerder in Le Monde heeft geschreven: de Europese Unie is ‘volwassen’ geworden en er is tussen het Europese niveau en de lidstaten een evenwicht bereikt in bevoegdheden, waarmee de Unie vooruit kan.

U bent het daar niet mee eens.

„Nee. Er zijn duidelijke tegenstellingen in Europa. Ten tijde van de Griekse crisis spraken velen over het latente of zelfs openlijke conflict tussen het zuidelijke en het noordelijke deel van Europa, de landen met schulden en de schuldeisende landen. Daar kwam een ander type verdeeldheid bij, rondom de problemen met vluchtelingen en migranten. Toen ontstond er een conflict tussen enkele Oost-Europese landen en westerse liberale democratieën. Zo zijn er al twee assen van verdeeldheid. Inmiddels is het nog ingewikkelder, omdat we beseffen dat het vraagstuk van – te simpel gesteld – nationalisme aan de ene kant en aan de andere kant federalisme, ook al accepteren weinig mensen die term. Die tegenstelling doorkruist geografische verdeeldheid, Italië staat hierin bijvoorbeeld op één lijn met Hongarije.

„De vraag is: zijn deze tegenstellingen voorbijgaand? Ontstaan ze door de onvermijdelijk uiteenlopende politieke keuzes van de Europese landen, maar zijn ze uiteindelijk toch ondergeschikt aan noodzakelijk gemeenschappelijk beleid? Of worden ze, in de pessimistische visie die ik deel, niet alleen groter, maar ook in toenemende mate onoplosbaar bínnen het huidige institutionele kader? Het complexe systeem van machtsdeling in Europa geeft voorrang aan de Raad van regeringsleiders, vertegenwoordigers van de natiestaten. Dat systeem is dus in wezen niet in staat om een conflict op te lossen dat de vorm aanneemt van nationale oppositie tegen Europees beleid.”

Foto: Roger Cremers

Waarom denkt u dat?

„Achter de verdeeldheid in Europa schuilt niet alleen nationale trots, al speelt dat een rol. Maar er zijn structurele redenen die tegenstellingen vergroten: de monetaire, economische en sociale politiek. Misschien word ik te veel beïnvloed door de situatie in Frankrijk, maar Europa levert iets dat door een belangrijk deel van de bevolking in verschillende landen wordt verwerpen.

„Dus, een volwassen politiek systeem? Ik denk dat we in toenemende mate een onregeerbaar systeem hebben, zowel op het federale niveau – als ik die term mag gebruiken – als op het nationale niveau. En die raken voortdurend meer met elkaar verstrengeld. Mijn conclusie is niet dat de Europese Unie onvermijdelijk ineenstort. Wat ik vrees is niet een permanente crisis, maar een permanente verlamming.”

U bepleit een vernieuwing van de Europese constructie, en specifiek een sociaal Europa – dat ook wel als loze slogan wordt afgedaan.

„Vernieuwing van de Europese Unie is het moeilijkste wat er is. Er is het officiële, institutioneel afgekondigde monetaire beleid, dat inhoudt dat de strijd tegen inflatie altijd voorrang moet krijgen tegenover vormen van investeringspolitiek. Ten tweede is er de begrotingsdiscipline, en ten derde de ‘gouden regel’ van het Verdrag van Maastricht: zuivere en onbelemmerde concurrentie. Niet alleen tussen bedrijven, dat is prima, maar ook tussen regio’s en staten. Neem de concurrentie – Nederland staat daarin vooraan – tussen staten die er een verschillend belastingregime op na houden om bedrijven aan te trekken, dat is een directe toepassing van dat idee. De combinatie van dit alles maakt het praktisch onmogelijk om een sociaal Europa voor elkaar te krijgen.”

Maar ís het mogelijk?

„Het is alleen dan mogelijk als bepaalde radicale institutionele veranderingen doorgevoerd worden. Dan heb je wijzigingen in de verdragen nodig. Daarin moet bijvoorbeeld minder ongelijkheid tussen regio’s en maatschappelijke groepen als doelstelling worden opgenomen. En ook de mogelijkheid dat Europa een vorm van neo-Keynesiaans beleid kan voeren, het vermogen zijn eigen investeringen te lanceren.

Lees ook: Multimiljonair Victor (39) vindt het absurd dat hij zo rijk is

„Eén argument ertegen is altijd hetzelfde: de Duitsers zullen dit niet accepteren. Vanwege een combinatie van economisch belang en ideologische redenen. Hun economie is export-georiënteerd en dominant in Europa. En iedereen weet dat de officiële regels voor de euro door de Franse regering geaccepteerd werden, omdat zij vreesden dat de Duitse hereniging Duitsland weer naar een onafhankelijke positie zou duwen, dat Duitsland weer machtig zou worden – dat is de Franse obsessie. De Fransen waren bereid de officiële statuten voor een centrale bank en de definities voor het monetaire beleid die de Duitsers wilden, volledig te accepteren. Wat de Duitsers al jaren deden met de mark, werd bij de euro in feite voortgezet. En dat is extreem moeilijk om te overwinnen.”

Houdt dit argument stand?

„Ik wil niet pretenderen dat ik Duitsland zo goed ken, maar ik spreek en lees Duits, ik ga al mijn hele leven naar Duitsland, ik heb Duitse vrienden, en ik geloof niet dat Duitsland een soort monster is dat nooit verandert, dat het geen andere doelen zou hebben dan het domineren van het continent. Natuurlijk, ze genieten van hun hegemonie, zij hebben hun eigen belangen. Maar de vraag is: in welke mate zijn landen bereid om in te zien dat hun eigen belangen nooit weer centraal kunnen komen te staan tegenover het gemeenschappelijke belang van Europa als geheel? Dat geldt voor Duitsland, en dat geldt voor de rest.”

Balibar heeft geen illusies. Het omkeren van de neoliberale koers van Europa, die in decennia geïnstitutionaliseerd is, is erg moeilijk. Maar willen terugkeren naar de verzorgingsstaat van de twintigste eeuw is „absurd”. Balibar ziet wel mogelijkheden om een sociaal Europa tot stand te brengen, als er „bewegingen en campagnes” voor opgezet worden. En als er democratisering plaatsvindt van de Europese instituties. Ook niet eenvoudig, maar het belang daarvan is voor hem een grote les uit zijn intellectuele ontwikkeling, zo zegt hij.

Ooit was hij ‘leninist’, hij schreef in 1976 Over de dictatuur van het proletariaat, waarin hij de marxistische orthodoxie volgde. Maar hoewel hij eerst dacht dat communistische landen geen succes hadden omdat ze hun oorspronkelijke communistische idealen hadden verraden, kwam hij later tot het inzicht dat maatschappelijke krachten in socialistische landen tegen autoritaire obstakels aanliepen, en dat democratische vrijheden nodig waren.

Geldt op een heel andere manier ook voor de Europese Unie dat een tekort aan democratie het voor maatschappelijke krachten onmogelijk maakt om iets te veranderen?

„Ja. Ik heb me nooit achter de westerse ideologie uit de Koude Oorlog geschaard waarin liberale democratieën tegenover totalitaire regimes werden geplaatst. Dat culmineerde in 1989, toen de Muur viel en de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama riep dat de geschiedenis was afgelopen omdat de democratie had gewonnen. Maar dat veronderstelt dat democratie een stabiel en institutioneel systeem is, met elementen zoals rule of law, pluralistische vertegenwoordiging en verkiezingen. Die institutionele elementen doen er wel degelijk toe. Ik zie dat in Turkije, waar ik nauwe banden heb met intellectuelen, die door de staat verschrikkelijk worden onderdrukt.

„Maar democratie is niet alleen een vorm van bestuur. Er is een instabiel evenwicht tussen het bestuur en de mores in een samenleving. Neem bijvoorbeeld de vrouwenbeweging, die voor veranderingen in de machtsrelaties tussen man en vrouw zorgde. Voor zulke veranderingen heb je dus bewegingen nodig, autonome maatschappelijke bewegingen. Als je die niet hebt en er zijn geen emancipatoire impulsen vanuit de samenleving, hou je de democratie niet in leven.”

Lees ook: ‘Dat een westerse samenleving ook áchteruit kan gaan, daar had ik niet over nagedacht’

Ziet u mogelijkheden voor bewegingen op Europese schaal?

„Er zijn in verschillende landen allerlei interessante ontwikkelingen gaande rond het basisinkomen. Dat zou een doel voor transnationale bewegingen kunnen zijn. Dan ga je veel verder dan het minimumloon. Ik zeg dan ook dat we niet aan hervormingen bij stukjes en beetjes moeten doen.”

Je hebt die verder liggende doelen nodig?

„Ja, hoe zouden we ons anders kunnen voorstellen dat we Europa gaan herscheppen? Als Europa gereduceerd wordt tot een losse aanvulling op de nationale staten, elk met zijn eigen kleine belang. dan kunnen we in de wereld van vandaag en morgen niets doen aan klimaatverandering, financiële regulering, wapenbeheersing, vrouwen- en kinderrechten, ecologische ontwikkeling, Hegel gebruikte in de negentiende eeuw een vreselijk woord voor de toestand van voor de Duitse eenwording: Kleinstaaterei, de politiek van de kleine staten. Zelfs Duitsland en Frankrijk zijn nu kleine staten. Je kunt grote bedrijven hebben, maar die zijn nu ook kwetsbaar. Volkswagen, BMW: enorm machtig, behalve dat ze ontdekken dat de wereldmarkt meedogenloos verandert, en Chinese elektrische auto’s van de ene dag op de andere Europa kunnen overspoelen.

„We hebben dus een sterk Europa nodig. Maar we zullen geen sterk Europa hebben, als Europa niet ondersteund wordt, met overtuiging, door de grote massa van zijn eigen burgers.”