DNA uit kruisvaardersgraf toont genetische vermenging

Archeologie Dat kruisvaarders zich mengden met de lokale bevolking is nu bewezen met DNA uit Libanese grafkuilen.

De Franse koning Lodewijk IX vertrekt met een schip vol kruisvaarders vanuit Aigues-Mortes voor de Zevende Kruistocht in 1248.
De Franse koning Lodewijk IX vertrekt met een schip vol kruisvaarders vanuit Aigues-Mortes voor de Zevende Kruistocht in 1248. Bron Vie et miracles de Saint Louis

In de kruisvaarderslegers vochten mannen uit West-Europa broederlijk zij aan zij met mannen uit het Midden-Oosten en mannen met een gemengde herkomst. Dit blijkt uit DNA-analyse van negen skeletten uit twee massagraven uit de kruisvaarderstijd in Sidon, Libanon. Tussen 1110 en 1260 was het ‘Leenschap Sidon’ een kruisvaardersstaat die hoorde bij het koninkrijk van Jeruzalem.

In de naast elkaar gelegen grafkuilen lagen in totaal 25 individuen met door gevechten veroorzaakte verwondingen. Ook werden in de kuilen een kruisvaardersmunt uit 1245-1250 gevonden en vijf typisch West-Europese middeleeuwse gespen, zo schrijft een team van genetici en archeologen donderdag in The American Journal of Human Genetics

De vondst is bijzonder omdat er weinig kruisvaardersgraven bekend en onderzocht zijn. Ook is het bijzonder dat in het warme klimaat van Libanon nog DNA kon worden teruggewonnen. De genetici hebben ook vijf Libanese genomen uit de Romeinse tijd onderzocht. Die blijken sterk te lijken op die van moderne Libanese christenen. De kruisvaardersstaten in Libanon (naast Sidon ook het graafschap Tripoli) hebben op de lange termijn dus vrijwel geen genetische sporen achtergelaten, concluderen ze.

De Britse historicus Andrew Jotischky (University of London) is gespecialiseerd in het dagelijks leven in de kruisvaardersstaten. Hij is verheugd over het nieuwe genetische onderzoek. „De uitkomst, dat de kruisvaarders trouwden met lokale vrouwen en dat lokale mannen met hen meevochten, is wat we al dachten, maar extra gegevens zijn zo welkom!”

Jotischky legt uit dat er bar weinig bekend is over de contacten van de kruisvaarders met de lokale bevolkingen. „Uit Sicilië en Spanje, waar toen ook moslims en christenen samenwoonden, zijn wel gemengde huwelijken bekend, maar in 1120 wordt het in hele koninkrijk van Jeruzalem verboden. Op zich is zo’n verbod natuurlijk juist een aanwijzing dat het wél voorkwam. Met lokale christenen mocht overigens wel getrouwd worden. Vooral Armeense christenen hadden redelijk wat macht, dat konden zelfs interessante huwelijkspartijen zijn. Lokale christenen mochten ook dienen in de kruisvaarderslegers, als hulptroepen. Moslims nooit.”

Alles bij elkaar moet een redelijke etnische mix zijn ontstaan, zegt Jotischky. „Ook zullen er veel seksuele contacten zijn geweest, met slavinnen. Kruisvaarders die net aan kwamen uit het Westen waren ook vaak verbaasd over de oriëntaalse kleding en gewoonten van de kruisridders die er al langer waren of er zelfs waren geboren.” Zoals de monnik Fulcher van Chartres al in ca. 1120 schreef over zijn ervaringen na de Eerste Kruistocht: „Wie een Romein of Frank was is hier een Gallileeër of een Palestijn geworden. We zijn onze geboorteplaatsen vergeten.”