Opinie

    • Michel Krielaars

Het stel in een café dat meer met zijn iPhones bezig is dan met elkaar

Ooit ontmoette ik een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur. Over iedere honderd meter deden we drie kwartier.

In 1986 publiceerde een onbekende hoogleraar Duitse literatuur uit Triëst een boek waarin hij langs de Donau reisde, vanaf de Zuid-Duitse oorsprong van die rivier – een opborrelend stroompje in het gras – tot aan de Zwarte Zee. Het was het verslag van een literaire reis in de beste zin van het woord. Als in een filosofische roman behandelde de professor de geschiedenis van de Donaulanden aan de hand van allerlei grote Midden-Europese schrijvers en denkers. Ook voorspelde hij op grond van zijn waarnemingen als een van de eersten de Joegoslavië-oorlog, die vijf jaar later zou uitbreken.

Donau werd meteen een internationale bestseller. Claudio Magris, zo heette de reizende geleerde, is sindsdien een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur.

In 1991 ontmoette ik Magris voor het eerst. Ik was toen adjunct-hoofdredacteur van zijn Nederlandse uitgeverij. De enige journalist die zich voor een interview had aangemeld, Michaël Zeeman, liet het wegens een verkoudheid afweten. Daardoor moest ik de schrijver drie dagen achtereen bezighouden. Niet eerder heb ik zo intensief met iemand over boeken en schrijvers gepraat als toen. Tijdens een wandeling langs de Amsterdamse antiquariaten raakten we zelfs zo hevig in gesprek over de actualiteit van Thomas Mann, Canetti, Kafka, Stalin en Joseph Roth, dat we over iedere honderd meter drie kwartier deden. Een Italiaanse intellectueel houdt zijn pas nu eenmaal in als hij iets uitlegt.

Eenzelfde intellectuele rust blijkt uit Magris’ nieuwste boek, Momentopnamen, dat deze week is verschenen. Het bevat achtenveertig schetsen over de hedendaagse wereld, die Magris waarneemt alsof het één grote chaotische kermis is. Zo schrijft hij over ijdele academici, emotioneel onvolwassen bankiers en de moderne universiteit waar alles alleen nog maar om geld draait en niet om studeren.

Ook schrijft hij over een stel in een café, dat meer met zijn iPhones bezig is dan met elkaar. Toch vindt Magris dat getuur op die mobiele telefoons helemaal niet zo erg, omdat ieder mens nu eenmaal eenzaamheid nodig heeft, ook in een relatie. Het is een ‘behoefte om alleen te zijn, om tenminste af en toe in het Wilde Westen van ons hart te leven, waar we soms slechts in eenzaamheid werkelijk onszelf kunnen zijn, zoals de cowboy in de oude westerns.’

Geërgerd is Magris wel als hij leest dat in Denemarken een verhaal van Hans Christian Andersen is gezuiverd van christelijke elementen, om gelovigen van andere religies niet te kwetsen. Hij noemt het ‘angstvallige idiotie’ en een beslissende fase in de universele geschiedenis van de censuur. Om anti-communisten niet te kwetsen kun je dan net zo goed bij Brecht de marxistische nuances schrappen. En als je de Indiërs niet voor het hoofd wilt stoten, moet je Kipling zuiveren van zijn Brits-imperialistische ideeën. De Koran kan er ook niet meer mee door: de christenen kunnen zich tenslotte storen aan alle verwijzingen naar Allah en zijn Profeet. En hoe zit het met Dante en Manzoni, wier boeken aanstootgevende passages bevatten voor menige protestant? Het hele Evangelie kan er eveneens niet meer mee door, want daarin staan tegendraadse dingen die volgens hem storend zijn voor zowel katholieken, protestanten, orthodoxen, moslims als atheïsten. Kortom, als je zo begint blijft van de hele literatuur niets over. Magris is dan ook een groots voorvechter van het vrije woord.