Recensie

Recensie Boeken

De dag bracht feest, de nacht misbruik

Manon Uphoff Uphoff zocht naar een eerlijke vorm voor een verhaal over misbruik – en slaagt er weergaloos in. Gemakzucht wordt niet getolereerd.

Foto Jose Beirao/EyeEm Mobile/HH
    • Shira Keller

De titel geeft het al een beetje aan: in de nieuwe roman van Manon Uphoff (1962) hebben de dingen vaak verdacht veel weg van hun tegendeel. Vallen is als vliegen is het relaas van een vertelster (‘MM’, of ‘Ondergetekende’) die te jong onderwezen kreeg dat grenzen niet meer zijn dan een menselijk construct. Fictie. Als kind werd MM stelselmatig seksueel misbruikt door haar vader, ‘HEHH’.

Toen MM, schrijfster, in 2009 ‘de liefde voor verhalen verloor’, begon deze verzwegen geschiedenis zich aan haar op te dringen. Nadat vervolgens haar stiefzus dat wat ook haar werd aangedaan meenam in het graf, ontbrandde bij de vertelster een hevige woede. Tot nu toe had ze al haar krachten aangewend om dit verhaal juist niet te hoeven vertellen, maar nu haar zus zichzelf en hun gedeelde verleden zonder verzet uit de geschiedenis had laten weggummen, was zwijgen geen optie meer.

Op onvoorstelbaar krachtige wijze (ik zou het moedig willen noemen, maar dat is hier een eufemisme) maakt Vallen is als vliegen inzichtelijk hoe grensoverschrijdingen van dit kaliber bij een kind ieder grensbesef vernietigen. Goed en slecht, slachtoffer en dader, macht en machteloosheid, opwinding en angst: het is niet het immense contrast tussen deze uitersten dat de roman zo huiveringwekkend maakt, integendeel: het is het ontbreken van dit contrast.

Lees ook het interview met Manon Uphoff: Met haar uithongering verwijderde mijn zus zich uit de geschiedenis

Onbeteugelde woede

Het lijkt een onmogelijke opgave, die Uphoff zichzelf stelt. Hoe maak je fictie van een werkelijkheid die is geworteld in chaos, die geen contouren kent? En hoe als schrijver zonder te huichelen ‘het echte, het ware’ uit te drukken (dit was altijd al Uphoffs streven), wanneer je een wezenlijk deel van je eigen verleden als fictie ervaart? Tegelijkertijd is het de reden dat Vallen is als vliegen geschreven moest worden. Het is de ultieme poging ‘aan boord te trekken wat zich in de loop der jaren heeft afgesplitst’.

Uphoffs haat-liefdeverhouding met fictie steekt regelmatig de kop op in haar werk – zo ook hier. Enerzijds is voelbaar hoe de schrijfster zich verrukt laat meeslepen door de verbanden die zich tijdens het schrijven aandienen (mythes, sprookjes, nieuwsberichten, kunstwerken, tv-programma’s – alles mag meedoen). Anderzijds berispt en bespot ze zichzelf (‘verrader’, ‘bedrieger’, ‘Pinokkio’) om die passie voor samenhang. Haar werk wordt voortgedreven door het strenge streven naar eerlijkheid, zuiverheid, volledigheid, een scherper begrijpen – en tegelijkertijd is de schrijfster zich er doorlopend van bewust dat het de vorm zelf is die de beoogde waarachtigheid op voorhand uitsluit. Een ‘verhaal’ maken van de werkelijkheid: een contradictio in terminis.

Het is in het centrum van dit spanningsveld tussen fictie en waarheid, vorm en vormeloosheid, waar Uphoff zich met Vallen is als vliegen begeeft. Daarbij biedt ze weerstand tegen de verleiding haar compositie al te sluitend te maken. Zo slaagt ze erin deze geschiedenis te tonen ‘als de puzzel die het was’; grillig, ambivalent, het tedere pal naast het afschuwwekkende, onbeteugelde woede naast compassie, ‘bevriezing’ naast warm affect.

Wreed

Onverbiddelijk pelt de vertelster laag na laag van haar ervaringen af, daarmee ook tastend naar een antwoord op een vraag die vaker in Uphoffs werk opduikt: bevindt zich in de mens een kern? Veranderen we, onder invloed van wat we meemaken, volledig van gedaante, of vouwt onze persoonlijkheid zich rondom een onveranderlijk middelpunt, dat zowel onze toekomst determineert als ons vroegste verleden conserveert? Zijn wij als een matroesjka, met diep binnenin ons ‘het laatste poppetje, met de scheef geschilderde kommaoogjes, het poppetje dat je niet kan openen’?

MM wijdt zich gewetensvol aan deze taak. Ze is een compromisloze verteller; gemakzucht wordt niet getolereerd, nuance is wet. Niet zelden volgt na een stevige uitspraak de disclaimer. Goed, HEHH mag er dan wrede gewoontes op na hebben gehouden, men dient niet te vergeten dat ook hij ooit kind is geweest, en onschuldig. Ja, aan moederliefde mag het dan wat hebben ontbroken, maar deze moeder had het dan ook niet makkelijk in die tijd, als vrouw. Bij MM’s kindertijd noteert de schrijfster: ‘Geef nou maar toe dat er ook feestjes en partijtjes waren.’

Wel is er een visie die ‘ondergetekende’ weigert te overwegen. Hoewel ze toegeeft dat HEHH’s inbreuk op het lichaam van zijn dochters toch wel ‘beschouwd mag worden als een belediging van enig gewicht’, verzet Uphoffs hoofdpersonage zich met kracht tegen de aanname dat ze een slachtoffer zou zijn, want (opgelet): ‘Waarin zit dan de verdomde glorie?’ Ja, zo’n zinnetje grijpt je bij de keel.

Seniele heksen

Nog altijd bestaat er bij de volwassen MM ontstellend weinig compassie met het weerloze meisje (‘snotterende creatuur’, ‘duimzuiger’, ‘bleek en mollig kind’) dat ze (ook) was. Wie diende te overleven, en kennelijk ook nu nog verdedigd moet worden, is de flinke, ogenschijnlijk onschendbare versie van haar, die ‘door een zaagtand kon lopen zonder iets te voelen’. Nee, stelt MM, haar vader had haar óók ‘met gaven toegerust’; ze was heus niet zo zielig, ze voelde zich immers ‘uitverkoren’. Uphoff maakt het schokkend navoelbaar: het vaak onbegrepen gegeven dat slachtoffers van kindermisbruik doorgaans loyaal blijven aan de dader. Zelfbehoud.

Verdringing speelt een grote rol bij incestslachtoffers. Maar wie schrijft, wordt er vroeg of laat mee geconfronteerd. Lees ook: Griet Op de Beeck had het niet goed kunnen doen

Niet verwonderlijk dus, dat de wraakexercitie die de vertelster voor zichzelf en haar twee nog levende zussen ensceneert – ze modelleert hen gedrieën nogal laatdunkend naar de drie Graeae; oude, seniele heksen met een schelle lach, fles wijn op tafel – het enige gedeelte van de vertelling is dat nogal gekunsteld aandoet. Hier wordt geforceerd en tevergeefs gezocht naar een verlossing die alleen in fictie kan bestaan.

En toch biedt Vallen is als vliegen het wel degelijk, verlossing, zij het niet in de vorm van wraak of verzoening. Impliciet geeft de roman een antwoord op de zo dikwijls door Uphoff opgeworpen vraag: ja, kennelijk is er een kern. Dwars door woede, koelbloedigheid en nuchtere zelfreflectie heen klinkt hier een stem die het geloof in verhalen niet is verloren. Tussen de regels door getuigt het weergaloze Vallen is als vliegen van het bestaan van het ‘kleinste poppetje van de matroesjka’ – dat intact bleef.