‘Vertrek Rutte funest voor Nederlandse EU-invloed’

Premier Nederland verdedigt de eigen belangen in de EU volgens nieuw onderzoek best goed. Zonder Rutte zou dat moeilijker worden.

Premier Mark Rutte arriveert op de fiets bij het Catshuis.
Premier Mark Rutte arriveert op de fiets bij het Catshuis. Foto Phil Nijhuis/ANP

De Nederlandse invloed in de Europese Unie rust zwaar op de persoon Mark Rutte en zijn lange ervaring onder Europese regeringsleiders. Dat is nu nog positief, maar maakt de diplomatie ook kwetsbaar. Als Rutte vertrekt als premier, zal dat het Nederlandse gezag in Brussel flink aantasten.

Dit staat in een woensdag verschenen Clingendael-rapport over het imago van Nederland onder diplomaten en ambtenaren, vooral uit andere EU-landen, in opdracht van de vaste Kamercommissie voor Europese Zaken. Het instituut noemt Ruttes dominante positie in het diplomatieke spel een „reden tot zorg” en zegt dat Nederland actief achter verschillende Europese sleutelposities aan moet om te compenseren voor Ruttes eventuele vertrek. De premier wordt zelf vaak genoemd als kandidaat voor een topbaan in Brussel, al ontkent hij geïnteresseerd te zijn.

Gebrek aan solidariteit

Daarnaast ontwaart Clingendael een tweede potentiële zwakte in de Nederlandse belangenbehartiging: het gebrek aan „empathie of solidariteit” jegens andere EU-landen. De kwaliteit en kennis van Nederlandse bewindslieden en ambtenaren worden in Brussel alom erkend, maar de Nederlandse inzet tijdens EU-vergaderingen wordt vaak „rigide” gevonden, bijvoorbeeld over de euro of de EU-meerjarenbegroting. Nederland loopt daardoor het risico dat het op andere terreinen minder voor elkaar krijgt en dus per saldo minder effectief is.

Lees ook: hoe Nederland het pulsvisserij-fiasco over zichzelf afriep

„Uit het onderzoek komt naar voren dat door een inflexibele houding en het louter hameren op naleving van de regels Nederland andere lidstaten tegen zich in het harnas kan jagen”, schrijft Clingendael. Volgens het instituut zou het achterwege laten van „een moraliserende houding” meer vertrouwen wekken en de Nederlandse onderhandelingspositie zelfs versterken. Sommige deskundigen noemen de uitspraken die Jeroen Dijsselbloem als minister van Financiën deed over Zuid-Europese landen („drank en vrouwen”) exemplarisch voor „het opgeheven vingertje” van Nederland.

Bekijk ook deze video als je meer wilt weten over het verdedigen van onze belangen in Brussel na de Brexit:

Verpakt eigenbelang

De 62 respondenten uit het onderzoek en de Europese beleidsmakers met wie diepte-interviews werden gehouden, geven aan dat Nederland te vaak het nationale eigenbelang centraal stelt. Dat doen landen als Frankrijk en Duitsland óók, maar die verpakken dat in „een Europese agenda”, waardoor het minder ‘egoïstisch’ overkomt. Dat zou Nederland ook moeten doen, luidt een van de zeven aanbevelingen in het rapport.

Nu wordt Den Haag te vaak gezien „als bouwer van blokkerende minderheden” en niet als constructieve bruggenbouwer. De ‘Hanzeliga’ van noordelijke EU-landen waarmee minister Hoekstra (Financiën) eurohervormingen wil afremmen, is voor sommige respondenten een voorbeeld van hoe het niet moet.

Die starre Nederlandse houding is volgens Clingendael deels te verklaren door de behoefte van de Tweede Kamer om het kabinet met precies omlijnde mandaten naar Europese vergaderingen te sturen. Daardoor is het lastig manoeuvreren en komt Nederland al snel „afgemeten” over.

Brusselse waardering

De Nederlandse inzet komt vergeleken met andere EU-landen zeer transparant tot stand. De Kamer wordt vroegtijdig en uitgebreid betrokken bij EU-dossiers, met Kamerbrieven en zogeheten AO’s (algemeen overleggen). Dat levert in Brussel waardering op: Nederland geldt als betrouwbaar en voorspelbaar. Maar het zorgt tegelijk voor minder onderhandelingsruimte: veel respondenten zien Nederland daarom óók als weinig creatief. Volgens Clingendael kan dit probleem worden ondervangen door de Kamer vaker vertrouwelijk te informeren, tijdens ‘technische briefings’.

Waar juist grotere openheid over zou moeten komen is het Nederlandse stemgedrag in Brussel. Volgens minister Blok (Buitenlandse Zaken) houdt „het kabinet geen cijfers bij van het aantal keren dat Nederland voor of tegen stemde op een dossier”, zo zei hij in september in antwoord op Kamervragen. Clingendael meent dat dit het onderzoek naar de Nederlandse effectiviteit bemoeilijkt.

Niet zichtbaar genoeg

Nederland zou ook niet zichtbaar genoeg zijn bij Europese vergaderingen van vakministers. Volgens Blok zijn Nederlandse bewindslieden in de meeste gevallen aanwezig, maar in Brussel valt het menigeen op „dat ministers niet altijd naar de Raden komen”. Nederland zou ook minder dan andere EU-landen meedoen aan informele en bilaterale overleggen, in de marges van EU-vergaderingen, terwijl er in dat informele circuit „veel wordt bewerkstelligd” en er juist voor Nederlandse ministers geen geografische belemmeringen zijn: Brussel ligt om de hoek. Tweede Kamerleden zouden zich bovendien te weinig in Brussel laten zien, wat mede zou komen door de beperkte ambtelijke EU-ondersteuning waarop ze kunnen rekenen.

Voor het onderzoek werd ook gesproken met Nederlandse beleidsmakers, onder wie de huidige EU-ambassadeur Robert de Groot, zijn voorganger Pieter de Gooijer (tegenwoordig ambassadeur in Parijs), voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot, de Brusselse VNO-NCW-vertegenwoordiger Winand Quaedvlieg en Europarlementariër Marietje Schaake (D66).