‘Veiligheid kan reden zijn voor beperking vrijhandel’

Deze rubriek belicht kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht.

Foto Stefan Wermuth/ AFP

Na een reeks terreuraanslagen op Europese bodem, waaronder die in februari 2015 in Kopenhagen (drie doden) en in november 2015 in Parijs (120 doden), verscherpte de Europese Unie de controle op de aanschaf en het bezit van vuurwapens. Zoals vereist had een ruime meerderheid van de 28 EU-lidstaten met de strengere maatregelen ingestemd. Maar Tsjechië was het daar niet mee eens en stapte, gesteund door Hongarije en Polen, naar het Europees Hof van Justitie.

De Tsjechische regering vond dat de EU haar boekje te buiten was gegaan door de aanscherping van het beleid te baseren op haar bevoegdheid om het vrije verkeer van goederen te waarborgen, terwijl het veeleer ging om het bestrijden van criminaliteit, in het bijzonder van terrorisme. Ook vond Tsjechië dat de aanscherping niet in verhouding staat tot het doel dat ermee wordt nagestreefd.

In haar advies aan het EU-Hof verwerpt advocaat-generaal Eleanor Sharpston de Tsjechische bezwaren. Zij beklemtoont dat de EU-lidstaten waarschijnlijk onderling verschillende maatregelen zouden hebben getroffen. Door die verschillende nationale aanpak zou de handel in wapens binnen de EU worden verstoord. Tegen die achtergrond moest de EU volgens Sharpston wel in actie komen om de voorwaarden voor de handel in en het bezit van vuurwapens gelijk te houden en oneerlijke concurrentie te voorkomen. Zij wijst erop dat de EU vaker uit veiligheidsoverwegingen ingrijpt in het vrije verkeer van goederen, zoals bij speelgoed, levensmiddelen en vuurwerk. Ook ten aanzien van de proportionaliteit ziet de advocaat-generaal geen reden de Tsjechische kritiek te honoreren. Haar advies is niet bindend. Het Hof beslist binnenkort.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2019:321