‘Meisjes worden niet een kelderbox ingesleurd. Ze gaan zelf mee’

Hoogleraar Jan Hendriks doet meer dan twintig jaar onderzoek naar jeugdige zedendelinquenten. „De jongens doen van alles samen, een verkrachting ook.”

Het Serumpark, nabij de Franselaan in Rotterdam. De Franselaangroep, waar de jongens die meededen aan de groepsverkrachtingen deel van uit maakten, hingen hier regelmatig rond.
Het Serumpark, nabij de Franselaan in Rotterdam. De Franselaangroep, waar de jongens die meededen aan de groepsverkrachtingen deel van uit maakten, hingen hier regelmatig rond. Foto Robin Utrecht

Een groepsverkrachting klinkt misschien uitzonderlijk, maar is dat niet, zegt Jan Hendriks, hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij doet meer dan twintig jaar onderzoek naar jeugdige zedendelinquenten. Hendriks schat dat bij eenderde van alle strafzaken waarbij een jongere wordt verdacht van een zedendelict, het om een groepsdelict gaat.

Hoe komen jongens tot een groepsverkrachting?

„De jongens delen meisjes in in bad girls en good girls. De laatsten, dat zijn de zussen van je vrienden, daar blijf je van af. De eersten, dat zijn meisjes waarover het verhaal gaat dat ze wel zin hebben in een verzetje. Dat zijn de meisjes over wie wordt gefluisterd dat ze al eens seks hebben gehad. Ze hebben in de ogen van de jongens geen status.”

En dan?

„De slachtoffers en daders zijn vrijwel altijd bekenden van elkaar. Meisjes worden niet een kelderbox of schuurtje ingesleurd. Ze gaan zelf mee. De jongens zijn gewend om in een groep te opereren. Ze doen van alles samen, een verkrachting ook. Ze helpen elkaar niet echt, ze vullen elkaar wel aan. Een of twee of meer houden het meisje vast als ze tegenstribbelt. Na afloop scheppen de jongens tegen elkaar op.”

Hoe kan dat?

„Een verkrachting is verschrikkelijk, en een groepsverkrachting zo mogelijk nog vernederender en ernstiger. Je kunt slachtoffers nooit de schuld geven. Maar het gaat regelmatig wel om naïeve, kwetsbare meisjes. Problemen thuis, weglopers, weinig betrokken ouders. Soms zijn ze licht verstandelijk beperkt. De jongens zoeken kwetsbare slachtoffers uit. Ze gaan er zelf in mee.”

Waarom gaan deze jongens zo ver?

„De meeste daders zijn gemiddeld of laagbegaafde jongens. Ze hebben geen ‘parafilie’, een seksuele afwijking zoals solodaders vaak wel hebben, die zich bijvoorbeeld vergrijpen aan een kind. Ze hebben wel een slecht ontwikkeld geweten. Ze vertonen antisociaal gedrag. Ze hebben vrijwel altijd nog vele andere delicten gepleegd, straatroof, diefstal, autokraak. Ze zijn gewend te pikken wat ze willen. Geld, een telefoon, een dure jas. Het meisje wordt gedepersonaliseerd, is een ding.”

Lees ook de reportage: Zonder meer aangiftes kon politie niets

Zijn ze niet gewoon heel slecht opgevoed?

„Zeker. Daar ligt de basis. Ze missen een goed voorbeeld van hun vader of een oudere broer die hun leert dat ze respect moeten hebben voor vrouwen. En dat als een vrouw ‘nee’ zegt, je je er ook naar gedraagt. Ze hebben niet geleerd om rekening te houden met gevoelens van anderen.

„Ze zien de ernst van de groepsverkrachting vaak niet in. Ze bagatelliseren de daad. ‘Ze huilde niet’, zeggen ze dan.”

Er wordt ook vaak gewezen naar gewelddadige en seksueel getinte videoclips.

„Dat is onzin. Althans, er is wetenschappelijk geen enkel bewijs voor. Er zijn heel veel jongens die naar die clips kijken en niet aanranden.”

Dit zou om Antilliaanse jongens gaan. Hebben daders vaker een niet-westerse achtergrond?

„Daders zijn vaker jongens met een niet-westerse achtergrond. Er zijn ook autochtone daders, het is dus niet exclusief een delict dat voorbehouden is aan jongens met een niet-westerse achtergrond. Zij krijgen wel vaker een bepaald man-vrouwbeeld mee van thuis. De man is macho. De vrouw moet zich gedragen en onderdanig zijn. Doet ze dat niet, dan is ze een hoer en hoef je geen respect voor haar te hebben.”