Opinie

Het is rustig op de beurzen. Héél rustig

Maarten Schinkel

XIV, zo heette het beleggingsfonds dat vorig jaar februari met een splinterende klap ter aarde stortte nadat het 80 procent van zijn waarde verloor. XIV stond niet voor het Romeinse 14, maar was een omkering van VIX. En dat acroniem staat voor de ‘volatiliteitsindex’ van de aandelenkoersen, van de termijnbeurs van Chicago.

De volatiliteit, ofwel de beweeglijkheid, van de aandelenkoersen was destijds ongewoon laag, en was dat al geruime tijd. Die rust bleek bedrieglijk: in februari 2018 kelderden de aandelenkoersen plotseling. De VIX schoot omhoog. Beleggers die gokten op een lage volatiliteit, zoals XIV, stonden op het verkeerde been en vluchtten spreekwoordelijk, zoals Donald Duck, met een knapzak naar Verweggistan.

Ook nu is er, na de slachting van eind 2018, een opvallende kalmte neergedaald over de beurzen. De volatiliteit van de AEX-index is zo laag, dat hij sinds 2010 enkel is geëvenaard in de eerste maand van 2018, vlak voor de hel losbrak. Een lage beweeglijkheid hoeft overigens niet te betekenen dat er niets gebeurt. In 2017 stegen de koersen langzaam, maar voortdurend. En dat is ook het beeld van 2019 tot dusver. Geruisloos nipt Wall Street aan nieuwe koersrecords, en de AEX-index staat ook alweer op meer dan 567 punten.

Lage beweeglijkheid bij stijgende koersen is er ook op de obligatiemarkt. Maar de valutamarkt is misschien wel het opvallendst. Daar gebeurt eigenlijk gewoon al maanden vrijwel niets.

Volatiliteitscijfers zijn abstract. Als we de beweeglijkheid uitdrukken als de percentuele koersverandering van dag tot dag, wordt het tastbaarder. De dagelijkse uitslag van de euro-dollarkoers was, in de drie maanden tot woensdag, gemiddeld 0,21 procent. Dat is nog maar de helft van de gemiddelde dagelijkse koersuitslag over de laatste vijf jaar. Er zijn zelfs tijden geweest met driemaands-gemiddelden van 0,75 procent, zoals in de zomer van 2015. Maar euro en dollar fluctueren nu al een half jaar tussen 1,15 en 1,12 dollar per euro.

Een lage beweeglijkheid zou beleggers alert moeten maken

Als het niet beweegt, valt er voor de handel weinig te verdienen. Zowel zakenbank Morgan Stanley als Goldman Sachs weet zijn tegenvallende resultaten over het eerste kwartaal deze week aan de lage volatiliteit. Beleggers doen intussen goede zaken, want de koersen van aandelen en obligaties zijn intussen wel flink gestegen. Blackrock, de grootste belegger ter wereld, boekte juist een van zijn beste kwartalen ooit.

Maar hoe nu verder? Bloomberg sprak deze week met Harley Bassman, die een kwart eeuw geleden de MOVE-index voor de volatiliteit op de obligatiemarkt bedacht, die nu in de buurt van zijn laagterecord staat. Bassman zei dat lage volatiliteit niet de oorzaak is van naderend onheil, maar een calamiteit wél kan versterken. „Het is eerder de benzine dan de lucifer.”

Dat snijdt hout: de prijs van de meeste financiële derivaten is voor een deel gebaseerd op volatiliteit, hetgeen makkelijk kan leiden tot een lawine van gebeurtenissen, net als ruim een jaar geleden. Niet louter neerwaarts trouwens, maar ook opwaarts. Larry Fink, de baas van Blackrock, zei deze week rekening te houden met een ‘melt up’ van de aandelenkoersen. Een soort omgekeerde instorting waarbij de koersen juist extreem klimmen.

Staan we voor zo’n Minsky-moment, waarbij in slaap gesuste beleggers plotseling in paniek wakker schieten? Zoals een voice over zou kunnen zeggen: het was stil op de beurzen. Iets té stil. Een lage beweeglijkheid zou beleggers alert moeten maken. Want, zoals Bassman zegt, lage volatiliteit is dan misschien niet de dader, maar zij „hangt wel vaak rond bij de plaats delict”.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.