Opinie

    • Bas Heijne

Notre-Dame leeft, ik heb het gezien

Bas Heijne zag maandagavond hoe vlammen de kathedraal verwoestten, maar merkte ook: de Notre-Dame leeft in onze harten.

De enige keer dat ik als jongetje snikkend een boek dichtsloeg, was na het lezen van De klokkenluider van de Notre-Dame, de roman van Victor Hugo uit 1831, die de kathedraal in het hart van Parijs wereldberoemd maakte. De wrede dood van het hemelse zigeunermeisje Esmeralda en de smachtende liefde van de gebochelde Quasimodo woelde een diepe, onbekende emotie bij me los. Ook de kathedraal zoals Hugo die beschreef, maakte grote indruk – de gotische duisternis, de zware klokkentorens, de enge stenen waterspuwers, de geur van heiligheid en priesterlijke verdorvenheid. Later zag ik de beroemde film met Charles Laughton als de klokkenluider (die ik als jongetje eindeloos lispelend imiteerde: ‘She has given me water!’). Toen ik op mijn zestiende de kathedraal op het Île de la Cité in het echt zag, viel die in niks tegen. Alles was precies zoals beschreven. De Notre-Dame was even groots, duister en geheimzinnig als ik me had voorgesteld.

Later keek ik er met een minder romantisch, meer geoefend oog naar. Ik bewonderde de adembenemende glas-in-loodramen. Ik ging naar orgelconcerten. Ik leerde eindelijk wie de bisschop in het portaal was die zijn eigen hoofd in zijn handen houdt, een wonderlijk gezicht; de heilige Dionysius, patroonheilige van Frankrijk. Volgens de legende pakte hij rond 251 zijn eigen afgehakte hoofd op en liep hij helemaal door Parijs (door de Rue des Martyrs, waar ik nu toevallig woon) tot de plek waar hij uiteindelijk werd begraven – en waar tegenwoordig de kathedraal van Saint-Denis staat.

Maandagavond sta ik tussen de omstanders te kijken naar een brandende Notre-Dame. Rondom mij heerst opwinding, zoals bij iedere spectaculaire brand. Er worden tal van mobieltjes omhooggehouden, maar er is ook een indrukwekkend soort gelatenheid.

Ik krijg een sms’je van een kennis, een jonge Fransman, werkzaam in de financiële sector. Hij bekent dat hij in tranen is uitgebarsten. Notre-Dame, typt hij verontschuldigend, zit in het Franse hart.

Niemand kan iets doen. Het dak is ingestort, de vlammen laaien hoog op, en het ziet ernaar uit dat er van Notre-Dame weinig zal overblijven.

Ineens wordt zachtjes het Weesgegroet aangeheven, iedereen zingt mee, steeds opnieuw, een lange, berustende bezwering.

Sainte Marie, mère de Dieu, Priez pour nous…

De gezichten van de mensen om mij heen, de waardigheid van hun gedeelde machteloosheid en verdriet, ik zal het niet vergeten.

Als ik tegen middernacht weer richting huis loop, de geur van verbrand hout in mijn neus, alsof ik bij een groot kampvuur heb gestaan, herneemt het leven alweer zijn gewone gang. Parijs wordt weer Parijs. Dronkelappen slaan liederlijke taal uit, ik zie hoe een zakkenroller hardhandig wordt gearresteerd. Op de tijdlijn van mijn telefoon zie ik dat de kwalijke quatsch over de verwoesting van de Notre-Dame als een teken van onze ‘vermoeide cultuur’ werd afgewisseld met meer hoopvolle berichten: de twee grote torens zijn behouden, het interieur lijkt grotendeels intact, een deel van de kunstschatten en relikwieën is op tijd veiliggesteld. President Macron kondigt een grootscheeps herstel aan, een Franse miljardair stelt 100 miljoen euro ter beschikking.

De Notre-Dame is zwaar beschadigd. De kathedraal zal misschien nooit meer hetzelfde zijn. Maar ze leeft – en ik dacht dat ik zulke woorden nooit zou gebruiken – in de harten van mensen. Ik heb het gezien.

Bas Heijne is redacteur van NRC en woont in Parijs.

Correctie (16 april 2019): In een eerdere versie van deze column stond dat de auteur „dinsdagavond” stond te kijken. Juist is: maandagavond. Dat is hierboven aangepast.