Grootmachten spelen zich stuk op bravoureboys Ajax

Champions League Met een grootse tweede helft maakte Ajax een einde aan 14 jaar Nederlandse absentie in de halve finale van de Champions League.

Matthijs de Ligt scoort de 1-2 tegen Juventus tijdens de return in de kwartfinale van de Champions League.
Matthijs de Ligt scoort de 1-2 tegen Juventus tijdens de return in de kwartfinale van de Champions League. Foto Olaf Kraak/ANP

Wat niet meer kon eigenlijk, is gebeurd. Wat niet meer realistisch was, vond toch plaats op 16 april 2019 in het stadion van Juventus, die club waar Ajax in de jaren negentig van de vorige eeuw het hoofd voor moest buigen om daarna 22 jaar niet meer te worden waargenomen in de halve finales van de Champions League. Maar Ajax is terug, bij de laatste vier, na een 2-1 zege bij de Italiaanse recordkampioen. Een prestatie die tussen de grootste ooit van een Nederlandse sportploeg geschaard moet worden, nu al.

Real Madrid ging er al aan, nu Juventus. Grootmachten spelen zich stuk op de bravoureboys van Erik ten Hag. Ajax, brutaal beukend op de deur voor een plek aan tafel van de laatste vier, maakte in een magistrale tweede helft een einde aan veertien jaar van Nederlandse absentie in de laatste stadia van de Champions League. Dat is allemaal niets minder dan miraculeus.

Ze moesten de wedstrijd van hun leven spelen, wat ze in Madrid vorige maand al hadden gedaan. De goals waren van Donny van de Beek voor rust en aanvoerder Matthijs de Ligt, nadat Cristiano Ronaldo de score had geopend. Feitelijkheden bij een avond die alle wetten van de financiële krachtsverhoudingen tartte.

Overmand

Het begon zo aarzelend, haperend. Stand-in linksback Noussair Mazraoui zakte door zijn enkel, probeerde het nog even maar gaf zich gauw gewonnen. Daley Sinkgraven moest invallen, een jongen die blessureleed aan elkaar rijgt sinds zijn komst naar Ajax lang geleden. Overmand leek de ploeg al door de gelegenheid en het decor van een bomvol stadion vol herrie, nu ook ietwat aangeslagen door de tegenslag die volgde.

Frenkie de Jong, voor wiens hamstring je mocht vrezen, begon slordig en gehaast. Dirigent zijn, ritmes van de aanval bepalen – het zat er voor rust niet in voor de stuwende sleutelspeler van de heenwedstrijd. Juventus beet door en zette de mannen van Erik ten Hag vast op hun eigen helft, daar waar ze niet zijn willen.

Ze moesten de wedstrijd van hun leven spelen, wat ze in Madrid vorige maand al hadden gedaan

Even ontstond er wat van Amsterdams momentum, tikkend om dat gefortificeerde zestienmetergebied heen. Daley Blind met zijn blocktackles bracht Ajax in die fase, met eventjes dat proeven aan balbezit. Maar toch: uit de rug van tuimelende Ajacieden dook Cristiano Ronaldo op bij een corner: 1-0. Juichend voor het uitvak tartte hij de meergereisde aanhang. In de chaos voelde je het broze vertrouwen verglijden. Hakim Ziyech schoot maar eens – hij zal het voor altijd doen, schieten waar hij kan. Schot gekraakt, zo gaat dat vaak, maar ineens viel de bal voor de voeten van Donny van de Beek. Ongemoeid kon hij in de verre hoek schieten.

Lees ook: ‘Golden Boy’ De Ligt en de vrijage van Juventus met een toptalent

Schrapen

Zomaar 1-1. Alles gelijk, alle kansen nog. Het moest schrapen worden. Het ernstige stadium van de Champions League vroeg om ingetogen schaakzetten, opperste concentratie, gokken op een uitbraak. Die kwam na rust, via Schöne, Neres en Van de Beek naar de rechterkant waar Ziyech vrij kon uithalen. Wereldredding Wojciech Szczesny.

En toen begon die machine van Ajax op stoom te komen, steeds zuiverder en zekerder van voet naar voet. Wat kunnen ze dan weer voetballen ineens. Het was geven en nemen van initiatief, maar steeds manifester was Ajax. Geniaal zoals De Jong het spel naar zich toe trok, sereen groeide hij de wedstrijd in. Hij zette een aanval op vanaf links, Dusan Tadic met de voorzet van rechts – naast gegleden door Pjanic.

Even daarna: de corner. Matthijs de Ligt torende boven twee kerels uit. Het kon gewoon, zo’n avond was het geworden. Kopbal: 2-1. Met gespreide armen en opengesperde ogen spurtte hij naar zijn aanhang, het was bijna beslecht. De genadeklap lonkte, maar niemand pakte door, al was 2-1 al comfortabel zat. Kansen missen, rondspelen maar – zo stierf het enthousiasme bij het thuispubliek weg.

De dimensies van een doortocht naar de halve finale zijn ongekend. De kleinste club in financiële slagkracht sinds 2006, Villareal. De eerste Nederlandse club sinds PSV in 2005. Neem ook, en passant bijna, de uitschakeling van Cristiano Ronaldo, de nieuwe ster van Juventus. In dertien jaar voetbal was hij slechts eenmaal niet bij de laatste vier in de Champions League. Vijf keer won hij de beker al, de laatste drie opeenvolgend.

Toen kwam Ajax langs, kleine club in het grotere geheel van zijn universum. Het ondenkbare werd gerealiseerd, door elf Ajacieden en nog wat invallers onder leiding van Ten Hag. De Europese eliteploegen, de superclubs, aan hen was de glorie. De tijd was niet meer aan een Nederlandse club. En nu dartelt Ajax er doorheen, en het is nog steeds niet voorbij. „Erik ten Hag, Erik ten Hag”, scandeerde het publiek.

Ovationeel applaus weer, net als in Madrid. Nu van plukjes Juventus-aanhangers die waren blijven hangen.

Halve finale. Ajax. Champions League. Het is 2019, het is echt.