Regisseur A.B Shawky in Cannes, 2018.

Foto CLEMENS BILAN/ EPA

‘Amateurs casten, een lepra-patiënt? Ze vonden ons idioten’

Interview A.B. Shawky en Dina Eman maakten de film Yomeddine met een Egyptische lepra-patiënt. Een afstudeerfilm die de hoofdcompetitie van Cannes haalde. „Ik wilde een roadmovie, de charme is dat Egypte dan zelf een personage wordt.”

‘Vlucht voor een melaatse zoals je vlucht voor een leeuw.” In de film Yomeddine haalt een vrome moslim deze hadith (overlevering) van de profeet aan. „Ziet u lepra-patiënten als leeuwen?”, vraagt Beshay (Rady Gamal) dan verheugd.

In de charmante Egyptische roadmovie Yomeddine (‘Dag des Oordeels’) trekt de melaatse Beshay - een dubbele outcast, want ook nog eens een Koptisch christen - met het zwarte jochie Obama (Ahmed Abdelhafiz) en ezeltje Harby naar het zuidelijke Qena. Op zoek naar de ouders die hem ooit afleverden bij Abu Zaabal, een leprakolonie in de woestijn buiten Caïro waar sinds 1933 patiënten worden verzorgd door nonnen - en aanvankelijk streng bewaakt door politie te kameel. Want al mag de profeet in een hadith een bord voedsel met een melaatse delen („in vertrouwen op Allah”), een andere hadith was van oudsher meer in trek: „Kijk niet te lang naar melaatsen.” Je weet maar nooit immers.

Lees ook de recensie: Als koptische outcast met lepra met een ezeltje door Egypte

De Oostenrijks-Egyptische regisseur Abu Bakr Shawky draaide in 2009 zijn korte documentaire The Colony in Abu Zaabal, de laatste in zijn soort nu lepra behandelbaar is; de voormalige patiënten willen niet weg. Vorig jaar selecteerde filmfestival Cannes Yomeddine verrassend tussen het auteursgeweld van de hoofdcompetitie: een afstudeerfilm van de Tisch School of the Arts, New York nota bene. Met producent Dina Eman, een Egyptische Amerikaan opgegroeid in Brooklyn, scharrelden Shawky het bescheiden budget bijeen via Kickstarter, familie en een bevriende geldschieter. Ook staken ze hun salaris als researcher en consultant van miniserie The Looming Tower erin. Eman: „De fondsen vonden ons plan best prikkelend, maar te riskant om geld in te steken. Kom maar terug als je film klaar is, hoorden we. Dus moesten we het zelf doen.”

Hoe past uw film in de Egyptische cinema?

Shawky: „Niet eigenlijk. De reguliere Egyptische cinema is emotioneel, melodramatisch, theatraal en gelikt. Er bestaat een onafhankelijke filmscene, maar zelfs daar zijn we de uiterste marge. Amateurs casten, en een lepra-patiënt? Wat een idioten. Mijn schoudercamera-stijl is ook vrij ongewoon. Ik denk trouwens niet dat ik op die manier film vanwege mijn opleiding in New York. In Caïro groeide ik op met de gebroeders Coen en Paul Thomas Anderson.”

Eman: „Abu komt uit een heel Westers gezin in Caïro, ik uit een heel Egyptische gezin in Brooklyn. We kunnen beiden een brug tussen culturen slaan.”

U wilde eigenlijk een vrouw voor de hoofdrol?

Shawky: „Iemand uit mijn documentaire The Colony. Ze werkte op de vuilnisbelt. Maar toen mijn script klaar was, werd ze ernstig ziek en kon ze niet meer lopen. Toen raadde iemand met Rady Gamal aan. Hij verkocht thee en sigaretten in een cafetaria bij de leprakliniek. Rady leeft al veertig jaar in Abu Zaabal, maar heeft anders dan Beshay in de film een hechte relatie met zijn moeder.”

Voor iemand die zijn leven doorbracht in een leprakolonie moet dit een vreemde ervaring zijn.

Shawky: „We zijn heel voorzichtig met Rady omgegaan en hebben de figuranten geïnstrueerd: niet staren, niet wijzen, respecteer zijn waardigheid. Het duurde even voor Rady op zijn gemak was. Maar hij was de ster op de set, dus kwam zijn ware aard vrij snel boven. Rady is een grappenmaker.”

Rady Gamal als Beshay in Yomeddine.

U filmt op straat, met amateurs. Leverde dat nog problemen op?

Shawky: „Ik wilde een roadmovie, de charme is dat Egypte dan zelf een personage wordt. En werken met amateurs. Maar dat betekende wel improviseren. Soms vervingen we iemand die niet de juiste toon vond of kregen we een dialoog er niet in. Dan zeiden we: doe maar in je eigen woorden dan.”

Eman: „Het liep maar één keer serieus mis. Aan het eind is er een grote rol voor een bedelaar zonder benen. Abu schreef die scènes voor een oude bekende. We spraken alles vooraf met hem door. Ga je hier echt voor? Geen twijfel? Nee, nee. …Tot de dag zelf. De crew en tientallen betaalde figuranten uit de buurt stonden klaar, maar hij kwam niet opdagen. Wij bellen: we komen je oppikken. Nee, er was iets kapot, morgen misschien. Daarna was zijn vrouw ziek. Daarna zijn kinderen.

„Enfin, koudwatervrees dus. We moesten die draaidag schrappen, dus de figuranten werden boos. Die zagen hun salaris in wind opgaan. Wij uitleggen: we hebben een man zonder benen nodig. Zei er iemand achterin: ik ken wel iemand, ik neem hem morgenochtend mee. Het bleek een alom gerespecteerde, rijke man te zijn die zijn benen had verloren in een ongeluk. Hij wilde graag die rol spelen en was perfect. Je moet je een beetje aan het lot overgeven soms. Insjallah inderdaad.”