Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Vies

In het Eye Filmmuseum in Amsterdam bezocht ik onbedoeld het Imagine Film Festival, want we wilden gewoon naar de film. De film Der Goldene Handschuh werd ingeleid door de hoofdredacteur van het tijdschrift Schokkend Nieuws. Hij zei dat café Der Goldene Handschuh ons na afloop voor altijd bij zou blijven als het goorste café ooit. Wij en tweehonderd anderen – achteraf denk je dan: ja, zo zien horror-, fantasy en sciencefictionliefhebbers er inderdaad uit – maakten een reis naar het Hamburg van begin jaren zeventig, waar de onooglijke – scheve neus, verrot gebit – seriemoordenaar Fritz Honka zich aan het einde van de nacht bedronk in café Der Goldene Handschuh.

Daar pikte hij oudere, verlopen hoeren op, die hij dan soms mee naar huis nam, waar hij ze verkrachtte met een pollepel of met bockworsten (en af en toe vermoordde, in stukken sneed en in de berging van zijn ook al smerige flat gooide). Het was zo ranzig, goor en levensecht gefilmd dat de geur van kaasflips, waar de man naast ons zo plezierig een XL-zak van zat weg te werken, bijna ondraaglijk werd.

Waar zaten we eigenlijk naar te kijken, vroegen we ons hardop af toen Fritz Honka zijn eerste ontklede lijk in stukken stond te zagen.

Op het filmfestival van Berlijn waar de film in première ging zei regisseur Fatih Akin over het (seksueel) geweld in de film: „Ik laat juist zien hoe walgelijk het is.”

Het meest walgelijke was dat het allemaal echt gebeurd is.

Fritz Honka bestond. Hij was 1,68 meter, zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een kinderkamp en zag er in het echt net zo onsmakelijk uit als in de film. Ook zijn slachtoffers waren net zo verlopen als in de film. Het café bestaat onder de naam Zum Goldenen Handschuh nog steeds, maar wordt sinds het verschijnen van eerst een roman en nu de film steeds meer bezocht door mensen die de haren wel wassen.

Onwillekeurig gingen mijn gedachten naar mijn laatste gore kroeg. Wie vroeger behept was met een fascinatie voor de zelfkant hoefde maar een sneuvelhok binnen te lopen, maar die lijken met het rookverbod en de komst van al die toeristen te zijn verdwenen. De laatste was het hok dat wij – de buurtbewoners rond de Amsterdamse Van Woustraat – café Pen noemden omdat de O van Open niet meeknipperde met de rest van de letters en dat werd gefrequenteerd door een bonte mix nachtvlinders zonder geld. Er mocht nog gerookt worden en er ontstond een handgemeen rond een vrouw die op het herentoilet over de bril had gekotst. Heel goor, maar nog lang geen Hamburg begin zeventiger jaren. In Der Goldene Handschuh wond niemand zich op over een vies toilet.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.