Opinie

Lasten en lusten van rokende schoorstenen

Menno Tamminga

Een stad met een omvang als Eindhoven, waar opeens de complete beroepsbevolking werkloos is. Kunt u zich dat voorstellen? In één keer 130.000 mensen zonder werk? Dat is het zwartste scenario nu het kabinet maar niet kan beslissen over klimaatpolitiek en een concrete CO2-heffing. Het poldertafeloverleg heeft het afgelopen jaar te weinig opgeleverd. Rutte III fabriceert zelf een „verstandige en objectieve” heffing voor de industrie.

Wat staat er op het spel? Bij de twaalf meest vervuilende bedrijven in de industrie, waaronder dochters van BP, Dow, ExxonMobil, Tata Steel en Shell, werken 66.000 mensen (cijfers 2016), schrijft adviesbureau PwC in een rapport voor het ministerie van Economische Zaken. PwC moest de gevolgen van een nationale CO2-heffing in kaart brengen.

Op basis van de vuistregel dat elke industriebaan gekoppeld is aan werk bij leveranciers en dienstverleners, kom je op zo’n 130.000 arbeidsplaatsen. Als die twaalf vervuilers in reactie op een winstvernietigende heffing de tent subiet sluiten, zijn zij werkloos. Zullen die bedrijven dat doen?

Lees ook deze reconstructie: Wat ging er mis aan de overlegtafel van de industrie?

De meeste van deze twaalf zijn in Nederland gekomen mede dankzij de industrialisatiepolitiek na de Tweede Wereldoorlog. Lage lonen, sterke transport- en infrastructuur. Dat waren echte concurrentievoordelen. Kijk naar hun vestigingsplaatsen: havens, Rotterdam, Zeeland, Delfzijl.

Hun rokende schoorstenen symboliseerden de rappe overgang van een agrarische naar een industriële economie.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam daar nog eens het goedkope en overvloedige aardgas bij. Dat moest toch op, want kernenergie was de toekomst.

Inmiddels is de economie van karakter veranderd. Meer diensten, minder industrie. Maar juist die vervuilende industrie is in Nederland veel belangrijker voor de werkgelegenheid dan gemiddeld in Europa. Dat geldt heel sterk voor de chemie, wat minder voor raffinage en bij staalproductie is het net andersom: Nederland is juist wat kleiner. Om het nog wat complexer te maken: sommige van die bedrijven zijn weer afhankelijk van elkaar voor grondstoffen.

Het aardige van het PwC-rapport is dat het niet de invalshoek kiest van het politieke topdowndebat. PwC doet een poging om de gevolgen van onderop, vanuit de bedrijven in kaart te brengen. Om te beginnen met de vraag: wat bindt hen aan Nederland? Antwoord: weinig. De meeste hebben geen Nederlanders in de top. Ze zijn in handen van buitenlandse eigenaren. Ten opzichte van hun totale personeelsbestand valt Nederland, met uitzondering van Nouryon (chemie), Tata Steel en Shell, weg in de afronding.

Gezien het uitstel van de heffing kun je straks een knappe, ingewikkelde oplossing verwachten. De industrie zegt dat ze van goede wil is. En veel kan bereiken. Echt? Buitenlandse hoofdkantoren nemen de beslissingen. Hoe zien die de wereld als de economie terugvalt in een recessie? Dan is die heffing een concurrentienadeel die de langlopende trend versterkt dat economische groei en macht oostwaarts gaan.

Die concerns zullen hun fabriek hier niet pats-boem sluiten. Kost geld, geeft gedoe. Ze verleggen gewoon hun investeringen naar landen die wél een concurrentievoordeel hebben.

Dus als je al die CO2-heffing wilt invoeren, spiegel de regeling dan aan die landen waar de vervuilende concurrentie zit. Dan loop je de minste kans je eigen concurrentienadeel te creëren. Zoals Nederland tot de komst van de euro z’n rentepolitiek baseerde op Duitsland en de kracht van de gulden c.q. D-mark. Geen gidsland, wel objectief en verstandig beleid.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.