Goede sportfoto’s zijn zelf topsport

Nederland sport NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. De perfecte sportfoto wordt op het beslissende moment genomen.

Foto Frank Smolenaers

Op een dag in 1932 is achter het Gare Saint-Lazare in Parijs een man over zijn spiegelbeeld gesprongen. Het pleintje staat blank. Er ligt wat rommel in het water, een paar duigen van een ton en een laddertje. De man is op dat laddertje gestapt en heeft zojuist afgezet in de hoop met droge voeten de overkant van de plas te bereiken. Dat gaat hem niet lukken. In de fractie van een seconde voordat de hak van zijn voorste schoen het water raakt heeft de fotograaf afgedrukt. Als je wat langer naar die foto kijkt, zie je op de achtergrond een affiche van een danser die de andere kant op springt in bijna dezelfde houding.

Een onmogelijke foto, die alleen een gelukstreffer kan zijn, zou je denken. En toch heeft de fotograaf dit allemaal tegelijkertijd en doelbewust zo gezien en gevangen met zijn kleinbeeldcamera.

Het is Henri Cartier-Bresson (1908-2004) in zijn lange leven vaker gelukt. Zo kon hij overtuigend laten zien wat hij bedoelde met zijn principe dat een fotograaf ‘le moment décisif’, het beslissende ogenblik moet zien te vangen, dat ene vluchtige moment waarin hij een handeling en een compositie zo bijeen weet te brengen dat je meteen ziet dat het zo moest en niet anders.

De fotograaf moet proberen te zijn als een zen-boogschutter, heeft ‘HCB’ er later over gezegd. Hij moet zich concentreren, „zijn oog en zijn hart op dezelfde lijn brengen”, en dan komt er geen brein aan te pas om raak te schieten. Op het beslissende moment weet je niet meer of jij de foto neemt, of de foto jou.

Cartier-Bressons ‘manifest’ over het beslissende moment lijkt gefundenes Fressen voor de sportfotograaf. Beslissende sportmomenten staan of vallen met die ene split-second. De hoogspringer die zichzelf met zijn laatste beetje wilskracht over de lat wringt, de rondspattende zweetdruppels bij die laatste linkse directe voor de knock-out. Die ene goal van dertig meter in de kruising, de zwemmer als amfibisch wezen, het springpaard in een mikadospel van vallende balken. Je ziet meteen het verschil tussen een goede en een extreem goede sportfoto. Goede sportfotografie is zelf topsport.

Toch hoeft het niet altijd over zulke momenten te gaan. Hans Heus, winnaar van de Zilveren Camera voor zijn foto van Ellen van Langen die op de Olympische Spelen in Barcelona de 800 meter won – een weergaloos moment – zei dat hij bij zijn voetbalfoto’s minder lette op het doelpunt zelf en meer op wat hij de „vorm en de actie” op het veld noemde. Het was geen toeval dat hij ook van ballet hield.

Voor de sporters zelf geldt misschien ook zoiets. Soms lees je een interview met een fietser, een bergbeklimmer, een poolreiziger. En dan lijkt het soms alsof afstand en hoogtemeters ze minder kunnen schelen dan het proces, de staat waarin ze zichzelf brengen om die te kunnen veroveren: een gevecht met een lichaam dat je dwingt je grenzen nog iets verder te verleggen.

Dan krijg je de indruk dat die ‘hoogtestage’ – een paar weken in een zuurstofarm tentje om extra rode bloedlichaampjes te kweken – geen voorbereiding is maar de sport zelf. Iets doen wat je eigenlijk niet wilt, maar dat je toch moet doen van jezelf omdat je niet anders kunt. Omdat het bijna niet anders kan dan dat sport een verslaving is, met die bergtop, die 42 kilometer, die solo wereldomzeiling, de concentrische cirkels op het dartbord alleen als alibi.

Sporters willen niet alleen de snelste of sterkste zijn, ze houden vooral van het zoeken naar een volmaakte beweging én van de pijn die dat kost. Daarom is er ook geen verschil tussen dat volmaakte lichaam aan de ringen of dat geknakte lijf in een rolstoel. De ontroerendste sportfoto’s maken iets daarvan zichtbaar: mensen die zichzelf overwinnen door zichzelf te verliezen. Of omgekeerd.

Foto Jacomijn dijkers
Foto Rob Gipman
Foto Saskia van Dantzig
Foto Mitchell Voortman