Opinie

Verwevenheid farmaceut en arts is in nadeel van de patiënt

Medicijnendebat

Waarom gebruikt een longpatiënt eerst een raketpuffer en moet die dan ineens overstappen op een laarsjespuffer? Hoe komt het dat artsen en farmaceuten goedkope, maar medisch gezien gelijkwaardige alternatieven zwartmaken? En welk belang hebben farmaceuten bij het „aan flarden schieten” van voorkeurslijsten voor een bepaald medicijn?

Lees ook: NRC-serie artsen en medicijnen – De arts heeft als voorschrijver een cruciale rol bij de uitgaven aan (dure) medicijnen. Hoe gaat hij daarmee om?

Over deze vragen en meer ging het in de ontluisterende reeks artikelen over misstanden in de zorg die NRC de afgelopen week publiceerde. Uit de verhalen rijst een beeld op van een farmaceutische sector die al te nauw verweven is met de medische tak met als gevolg dat het eigen commerciële belang te vaak het belang van de patiënt verdringt.

De verwevenheid gaat ver: artsen die in opdracht van farmaceuten studies doen naar de werking van bepaalde medicijnen, bijvoorbeeld. Farmaceuten die de publicatie van boeken van artsen betalen. Of artsen die alleen nieuwe, dure medicijnen aanbevelen, en nooit eens de goedkope die al uit patent zijn.

Een internist noemt het eufemistisch „een symbiose tussen arts en industrie”. Een hoogleraar zegt rechtuit: „Wij zijn de stront, zij zijn de vliegen.”

Industrie en artsenij zijn tot elkaar veroordeeld bij de ontwikkeling van medicijnen, aangezien overheden wel fundamenteel onderzoek aan universiteiten financieren, maar geen medicijnenonderzoek. Daardoor worden artsen in de armen van de industrie gedreven, die dus steeds vaker de handelingen van de arts kan sturen.

Het is pijnlijk om te zien hoeveel moeite sommige artsen, apothekers en verzekeraars moeten doen om uit de greep van de industrie te blijven. Een idealistische reumakliniek verzet zich dankzij minutieuze voorbereiding tegen steeds hogere kosten voor reumamedicijnen. Een clubje artsen in Maastricht test zelf de 150 variaties op puffers voor longpatiënten en dwingt met engelengeduld bij artsen af om uitsluitend het medicijn met de beste prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. En in Leiden kon uiteindelijk een studie naar alternatieven voor insuline bekostigd worden dankzij een particuliere weldoener die zich toevallig aanbood.

Deze strijd dient eerlijker te worden gevoerd. Transparantie van zowel farmaceut als arts is de eerste vereiste. Daartoe zijn stappen gezet, maar uit de praktijkvoorbeelden blijkt dat die nog volstrekt onvoldoende zijn. Het in 2013 ingevoerde transparantieregister, waarin artsen hun bijverdiensten moeten publiceren, is te vaag en beslaat maar een beperkt deel van de neveninkomsten. De veel grotere bedragen voor klinische studies en consultancy fees staan er niet in en die gegevens zijn vaak alleen door insiders (collega-wetenschappers) in te zien. Dat kan en moet beter.

Naast het bevorderen van transparantie moet er gekeken worden naar manieren om het almaar toenemend medicijngebruik een halt toe te roepen. Het zou goed zijn als er meer wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt naar alternatieve behandelingen (preventie, levensstijl, aangepaste voeding) dan alleen met pillen of puffers.

Daarvoor is een onafhankelijke geldstroom nodig die dergelijke onderzoeken mogelijk maakt. Succesvol onderzoek op dat vlak mag niet afhankelijk zijn van een paar incidentele particuliere weldoeners. Hier ligt een taak voor de overheid, omdat redelijkerwijs niet van farmaceuten mag worden verwacht onderzoeken te financieren die hun eigen verdienmodel ondermijnen.